Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wanneer, deciduaeellen met bloed in aanraking komen. Mandl en Ke rmauner denken als hij. Hitschmann laat het onbeslist of zij van het endotheliurn of van de intirna stammen. Peters vat die celwoekering op als endarteritis obliterans. Uit mijne praeparaten meen ik met beslistheid te mogen zeggen, dat zij met hetendothelium niets te maken hebben, noch met de muscularis, maar dat zij ontstaan uit de intima. Die celwoekering, door Pe 11 ne r aütothrombose genoemd, heeft men als eene pnerperale willen laten gelden. Ten onrechte, want in het geheel intacte ei van Veit is zij even goed aanwezig. Ook het ei inde waarvan ik de vaten beschreef, was ondanks de kleine ruptuur en de omschreven bloeding nog in uitstekende condities zich verder te ontwikkelen; van puerperale veranderingen kan geen sprake zijn. De sterkste celwoekering vindt men daar, waar de arterie uitmondt in [de intervilleuse ruimte Het bloed stroomt langs en tusschen de cellen door, maar met verminderde snelheid. De bloedgolf wordt gebroken, die anders het placentairweefsel zou uiteenslaan. In plaats dat dan ook de autrothrombose de oorzaak is van het te gronde gaan van het ei, zooals Felln er zich voorstelt, geloof ik, dat zij juist den dijk vormt, die het ei beschut. Verbreekt de bloedstroom dezen dam, dan volgt eene gedeeltelijke verwoesting van de placenta te dier plaatse, die eventueel met den ondergang van het geheele ei eindigt. Merkwaardigerwijze vindt men inde venen geen spoor van die cellen: van dien kant dreigt dan ook het ei geen gevaar! In het bijzonder moet ik hier nogmaals wijzen op de beteekenis dier venen voor de uitbreiding der placenta. Uit de beschreven vene van geval 111 bleek ons dit reeds. In geval II vond ik het ingroeien van placentair uitloopers inde venen op veel uitgebreider schaal (zie fig. 25 PI. VIII); hier waren de vlokken volkomen levensversch, niet in fibrine gelegen als somtijds in geval 111, maar omspoeld door moederlijk bloed. Ook hier vertoonen de venewanden bijna geen reactie en is het endotheliurn vrij wel intact. Ondanks langdurig en herhaald zoeken vond ik in geen enkel dier venen een losliggende vlok; slechts eenmaal eene losliggende klomp syncytium. Dat onder deze omstandigheden chorionvlokken inde algemeene circulatie kunnen geraken, is zeer begrijpelijk. Daar de levende vlokken als uitloopers van het mesoderm toch altijd gefixeerd zijn, zullen zij slechts bij uitzondering vrij worden en nog wel het gemakkelijkst, indien zij gedegenereerd zijn en daardoor hare verbinding met de nog functioneerende placenta losser is geworden. Hoogstwaarschijnlijk wordt echter het moederlijk bloed steeds syncytium toegevoerd, hetzij in klompjes, grooter of kleiner, hetzij reeds

191

Sluiten