Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de onderlaag van het epitheel vormen, ziet men in fig. IV deze twee tezamen deze onderlaag samenstellen. Op enkele plaatsen liggen de luteinecellen vlak onder het epitheel, op andere plaatsen is dit het geval met het bindweefsel en komen de luteinecellen eerst ineen dieper gelegen niveau inde mazen van het bindweefsel voor den dag. Ook werden stukjes van gedeelten van den wand onderzocht, die ver van het bovenbeschreven deel waren gelegen. In deze praeparaten ontbreekt de aaneengesloten epitheellaag; een enkele cel, welke aan de binnenoppcrvlakte de r cyste gelegen is, kan, wanneer men eenmaal weet, dat ze met epitheel bekleed is, als rest ervan aangezien worden, de meeste echter zijn teloor gegaan; waarschijnlijk zijn ze inde oonserveerende vloeistof van hare onderlaag losgeweekt. De wand echter bestaat hier uit hetzelfde sterk gegolfde bindweefsel, dat hier en daar gele weefselmassaÂ’s bevat. Bij sterkere vergrooting blijken deze op enkele plaatsen structuurloos te zijn, op andere plaatsen worden ze gevormd door duidelijke luteinecellen, welke door bindweefselfibrillen omsponnen worden, en nog een zich goed kleurende kern bevatten, zoodat ook hier aan de afkomst van het weefsel, dat den wand der cyste samenstelt, niet behoeft getwijfeld te worden. De praeparaten vaneen ander gedeelte van den wand geven weder een beeld van het epitheel, dat daar ter plaatse den cystewand bekleedt. Hier bestaat het onderliggende weefsel weder hoofdzakelijk uit bindweefsel, dat echter hier en daar de bovengenoemde structuurlooze gele massaÂ’s bevat en ook enkele nog goed bewaarde luteinecellen, welke vooral inde oppervlakkige lagen zich bevinden. Nog ineen ander opzicht echter is dit praeparaat van belang, reden waarom het ook in fig. Y is afgebeeld. Het geeft namelijk te zien, boe sterk geplooid de wand der cyste is. Niet alleen blijkt dit uit de talrijke kleine insluipingen, welke het epitheel vormt, maar in nog sterkere mate wordt dit bewezen door de drie, met de letter a aangeduide weefseleilanden, welke geheel met het epitheel bekleed zijn. Op seriecoupes blijkt toch, dat deze niets anders zijn dan dwarsgetroffen, breede plooien van den wand. Door de grillige wijze, waarop zich de wand instulpt en plooit, stuit men soms te midden van het bindweefsel op een circulair door epitheel bekleede, grootere of kleinere holte, zooals in fig. Y bij b. afgebeeld is. Yervolgt men deze op seriecoupes, dan blijkt het slechts een doorsnede vaneen diepe, soms sterk vertakte insluiping van het epitheel te zijn.

32

Sluiten