Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn. De spieren toch inde ronde banden (Halban en Tandlerl)), inde retractores uteri (Sellheim2), Ziegenspeck) enz. zijn genetisch niet anders dan uitstralingen van de uterusspier; zij gaan met de uterusspier op en neer, doen mee aan de atrophieën, en zijn onderhevig aan dezelfde hypertrophieën, als men inden uterus waarneemt (Sellheim 1.c.). Noch peritoneum, noch bandapparaat beletten den uterus den retroflexie-stand in te nemen. Dit waste verwachten. Immers, hing de uterus aan het peritoneum ot aan eenig ligament, dan zouden deze op den duur aan de voortdurende tractie toegeven, gerekt, verlengd worden, en dus den uterus niet meer ophouden. Yan het peritoneum is het bekend, hoe gemakkelijk het zich door tractie of doordruk laat rekken. Het peritoneum boven do blaas, het peritoneum op den uterus gravidus demonstreeren deze eigenschap van het buikvlies dagelijks. Hiervan was dus a priori als stcunapparaat van den uterus niets te verwachten. Doch hetzelfde geldt ook van de verschillende banden, niettegenstaande er gladde spierelementen in aanwezig zijn. Zoodra er werkelijk aan getrokken wordt, rekken zij uit, en met hen de bloedvaten en de zenuwen, die er in verloopen. Men lette slechts op de breede banden en de vaten bij groote fibromyomata uteri, bij iutraligamentaire tumoren, en bij prolapsen, waar de uterus diep naar onder gezakt is; men lette op den steel van ovariaal-kystomen. Gelukkig echter is het, zooals wij straks zien zullen, bij een normaal levende vrouw niet noodig, dat er eenig ligament is, dat den uterus naar een bepaalde plaats terugbrengt, als hij ergens anders geweest is. Waren daarvoor banden aanwezig, dan zouden deze, als zij niet gebruikt werden, door inactiviteit atrophieeren, en als zij wel gebruikt werden, uitrekken en dus onwerkzaam worden. Dergelijke banden vindt men dan ook nergens in ons lichaam. Hergens is één orgaan dat hangt aan banden; alle steunen op hun onderlaag. Ten slotte: de ligamenta rotunda, waaraan men in deze zooveel beteekenis toekent, zijn, gegeven hun verloop, weinig geschikt, om den uterus naar voren te houden (fig. 3); en het feit, dat zij niet van beteekenis boven het niveau derjbreede banden uitsteken, bewijst ten overvloede nog, dat de uterus zeker niet aan hen hangt, terwijl J) Halban en Tandler. Anatomie und Aetiologie der Henitalprolapse beim Weibe. 1907. 2) Sellheim. Hegar’s Beitrage. 1904. VIII. 365.

84

Sluiten