Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is echter deze wijze van voedselopname bij de roofdieren van geringe beteekenis. Daarentegen kunnen door de cborionvlokken uit de sterk ontwikkelde klieren der decidua basalis stoffen inde placenta worden opgenomen en van daaruit naar het embryo worden vervoerd. Bij de excentrische implantatie (muis, egel, rat) en bij de interstitieële implantatie van de kiemblaas (cavia, mensch) is deze aanvankelijk geheel omgeven door het stroma van het endometrium en nergens in losse verbinding met het uterusepithelium. Inde allereerste ontwikkelingstijdperken worden de stoffen voor den groei der kiemblaas alleen verkregen door resorptie van vernietigd slijmvliesweefsel en door transsudatie. Rondom de kiemblaas ligt het stroma van de decidua (basalis en capsularis), zoodat het endometrium noch door afstooting en nieuwvorming van oppervlakte-epithelium, noch door afscheiding van kliersecreta inde baarmoederholte deel kan nemen aan de voeding van het embryo. Bij de knaagdieren is deze toestand voorbijgaande. Bij de rat, de muis en de cavia cobaja gaat eenigen tijd na de vorming der placenta niet alleen de capsularis maar zelfs een groot gedeelte van het chorion laeve te gronde, en wel zóó, dat de buitenoppervlakte der vruchtblaas wordt gevormd voor een deel door de placenta, voor een deel door de navelblaas (dojerzak), die onbedekt tegen het onbeschadigde epithelium van de decidua parietalis ligt. Op deze wijze ontstaat bij de knaagdieren secundair een extra-placentaire voedselopname uit het baarmoederslijmvlies door middel van de navelblaas, naast de placentaire resorptie door middel van de allantoïsblaas (konijn) of door middel van den allantoïssteel (rat, muis). Bij den mensch blijft de decidua capsularis bestaan, totdat zij met de sterk ontaarde decidua parietalis (vera) vergroeit. Na de derde maand der zwangerschap is de baarmoederholte nagenoeg geheel verdwenen. Yan een extra-placentaire voedselopname uit het oppervlakte-epithelium en uit de klieren van het endometrium is gedurende de geheele zwangerschap geen sprake. Alleen blijft de mogelijkheid bestaan, dat uit de bloed- en weivaten van de decidua parietalis transsudatie plaats vindt dóór het chorion en dóór het amnion, zoodat op deze wijze stoffen uit den baarmoederwand in het vruchtwater komen. Aanvankelijk worden de stoffen, die het bevruchte ei opneemt, gebruikt voor den groei der kiemblaas, meer bijzonder voor den groei van het chorion, dat in korten tijd, vooral bij het varken en bij het paard, maar ook bij de herkauwers (schaap), een reusachtige grootte krijgt in vergelijking met het lang klein blijvende embryo. Daarna groeit de navelblaas. Deze gaat bij het varken en de herkauwers evenals bij den mensch spoedig in ontwikkeling terug. Bij de roofdieren

87

Sluiten