Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan het hart. Patiënte is potatrix. Mot het oog op de betrekkelijke goedaardigheid van den tumor, wordt besloten tot laparotomie in de hoop patiënte dan langer voor recidief te behoeden. Bij opening van de buikholte blijkt de tumor subperitoneaal ontwikkeld, vergroeid met de achtervlakte van de blaas. Het peritoneum wordt gekliefd boven de blaas en deze voorzichtig met een tampon van den tumor afgeschoven. Hierbij wordt echter de blaaswand geperforeerd. De scheur wordt dadelijk gehecht. De tumor blijkt gedeeltelijk oysteus te zijn, enkele cysten barsten en ontlasten een helder geel vocht. Zooveel mogelijk stomp, wordt nu de tumor losgepeld en een ongeveer kinderhoofd-groote, na barsting der oppervlakkig gelegen cysteuse deelen vrij wel gladde tumor kan zoo geïsoleerd worden. Deze is nu nog met een steel inde diepte gefixeerd. Het blijkt, dat inden steel een ureter loopt; deze wordt vrij gepraepareerd en daarna de steel afgebonden en doorgeknipt. In het litteeken van de vagina is nog tumorweefsel achtergebleven, dat niet geheel verwijderd kan worden, daar langere duur van de operatie, met het oog op den algemeenen toestand, niet geoorloofd is. De zeer groote holte, die na uitpeilen van den tumor achterblijft, wordt met jodoformgaas getamponneerd. Den eersten dag kwam slechts weinig urine door den katheter a demeure, die dadelijk aangelegd was, naar buiten. Na verwisseling van den tampon betere urineloozing. De algemeene toestand is echter niet bevredigend. Temperatuur blijft beneden 37° C. Pols wisselend tusschen 120 en 130. Alleen den vijfden dag post operationem temperatuursverheffing tot 38.5. Pols 152. Patiënte succombeert inden daarop volgenden nacht. Bij sectie wordt gevonden: Icterus universalia, atrophia cerebri, atrophia et myodegeneratio cordis en verdere seniele veranderingen. Inde buikholte weinig vloeibaar bloed, operatiewond bedekt mot eenige stolsels. Green tumormetastasen. Geen peritonitis. Diagnose: sepsis post operationem (of chloroformintoxicatie ?) Patiënte was potatrix. We hebben hier dus te doen met een telkens recidiveerende tumorvorming, welke begonnen is als een gestoelde uteruspoliep in 1898. Na eenvoudige verwijdering, (doorknippen van den steel), trad recidief op in 1900. Toen werden groote massa’s tumorweefsel verwijderd, die den fundus (?) vaginae opvulden. Misschien bestond toen reeds een dwarse afsluiting van de vagina door vergroeiing of verkleving van de wanden, anders is het niet goed te verklaren, waarom van de portio vaginalis niets te vinden was en het geleek, als of de tumor-massa met een steel van den vaginaalwand uitging, tenzij Tijdsein-, v. Verlosk. en Gtyn. XX. 7

99

Sluiten