Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voldoende voedselopneming, langzamer dan bij voldragenen, maar relatief grooter, daar het geboortegewicht lager is. Zoo zou het een niet zeldzaam verschijnsel zijn, dat een praematuur geboren kind na twee maanden zijn gewicht verdubbeld heeft, iets, wat bij een normalen zuigeling toch wel tot de zeer groote zeldzaamheden zal behooren. Uit onze verslagen blijkt, dat bij borstvoeding de voldragen kinderen in verreweg de meeste gevallen langer dan 10 dagen noodig hadden om hun oorspronkelijk gewicht weer te bereiken. In 1903—1904 hadden slechts 96 van de 216 met de borst gevoede kinderen hun aanvangsgewicht herwonnen den 10en dag van hun leven, in 1905—1906 waren er van de 233 borstkinderen slechts 83, die den lOen dag hun geboortegewicht weder hadden bereikt. Yan de 48 kinderen met gemengde voeding waren in 1903—1904 den tienden dag nog 17 beneden hun aanvangsgewicht en inde jaren 1905—1906 waren er van de 44 kinderen, die gemengd gevoed werden, slechts 4, die den 10en dag weer op of reeds over hun geboortegewicht heen waren. In overeenstemming met Schulz vinden wij dus, dat bij ons nog niet de helft van de voldragen zuigelingen aan den regel van v. Winckel voldoet. Aangezien noch inden toestand der moeder, noch in dien van het kind, noch inden aard of de hoeveelheid van het voedsel eenige verklaring voor afwijkende resultaten te vinden is, kunnen wij niet anders doen dan twijfel uitspreken aan de juistheid van de opvatting van v. Winc ke 1. Volgens Péry e.a., in overeenstemming met onze ervaring, in strijd evenwel met wat Rommel en Delestre beweren, is het initiale gewichtsverlies bij praematuren niet alleen relatief, maar ook absoluut grooter dan bij voldragenen. Het verloop der gewichtskromme bij praemature kinderen is in het algemeen zoo: d.w.z., dat de eerste gewichtsdaling sneller in haar werk gaat dan bij den voldragen zuigeling, om dan eenige dagen gelijk te blijven en daarna snel te gaan stijgen. Meer dan reeksen van cijfers toonden ons de individueele gewichtskrommen der kinderen de voordeelen van zogvoeding. Dikwijls kan men, zonder eenig ander gegeven, de dagen met voldoende zogvoeding uit de kromme aflezen: dat zijnde hooge toppen, terwijl de lagere toppen beantwoorden aan onvoldoende zogvoeding. Van de na hun ontslag gestorven kinderen waren drie der moeders ongehuwd, 22 gehuwd, van dein 1911 nog levenden 10 der moeders ongehuwd, 23 gehuwd. Van de kinderen der gehuwde moeders bleven dus 51.7 °/Q, van die der ongehuwden 77 °/Q leven,

41

Sluiten