Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik volstaan met te herinneren aan de door gemaakte phlegmasia alba dolens. Zooals gezegd, had de vrucht tot kort voor de haring geleefd, wat met het oog op het aanwezige placentaweefsel niet te verwonderen is. Dit bedekt ongeveer een vierde van den vruehtzak, die voor het overige gedeelte nog bedekt is met resten der mola. Ei is dus slechts één ei: partieele mola. Het makroskopisch normale gedeelte vertoont ook mikroskopisch een geheel normalen bouw. Aan den mediaan gekliefden uterus is makroskopisch reeds te zien, dat de uit talrijke blaasjes met vezelachtige tusschenstof bestaande tumor bijna geheel midden inden spierwand ligt; slechts over een kleine oppervlakte nadert hij de uterusholte, maar blijft daaivan gescheiden dooreen minstens 2 niM. dikke laag slijmvlies. Tusschen het peritoneum en de mola is een spierlaag van minstens 1 cM. dikte. Enkele stukjes van de mola destruens met den uteruswand en van het uterusslijmvlies buiten het gebied van den tumor werden uitgesneden en mikroskopisch onderzocht. Allereerst bleek nu, dat het slijmvlies, dat makroskopisch gezwollen scheen als of het ineen dikke decidua veranderd was, geen spoor van deciduavorming vertoont. Het bindweefselstroma ziet er normaal uit, alleen zijnde capillairen sterk verwijd, en bevinden er zich als gevolg der hyperaemie hier en daar wat roode bloedlichaampjes tusschen de bindweefselcellen. Klieren ontbreken nagenoeg geheel. Het oppervlakteepithelium is cylindrisch, overal gaaf. Deze bouw van het uterusslijmvlies is temeer opvallend, daar wij zes weken post partum een buitengewoon fraaie decidua vonden. Hierop komen wij straks in verband met den gewijzigden toestand der ovaria terug. De mola zelf bestaat uit betrekkelijk weinig vlokken tegenover een groote hoeveelheid trophoblast (hg. B). De vlokken zijn zeer onregelmatig van vorm. Het stroma is arm aan cellen, terwijl vaten totaal ontbreken. Inde vlokken onderscheiden zich enkele ronde, donker gekleurde cellen met kleine kern van de eigenlijke van uitloopers voorziene stroraaoellen. Die cellen zijn onregelmatig verspreid. Op grond van het verschil in grootte van haar kernen met die der cellen van Lang hans, zijn zij daarmede niet identiek. Nergens werden trouwens cellen van Langhans of syncytiuraklompen inde vlokken gevonden. Sommige vlokken missen haar trophoblastbekleeding, andere zijn rondom bedekt met een dikke laag syncytium, waaronder meestal, doch niet altijd, de laag van cellen van Langhans is te herkennen. Tusschen de vlokken in liggen groote groepen cellen van Lang-

66

Sluiten