Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In fig. 4 zijnde beide ovaria van het eerste geval het rechter in zijn geheel, het linker opengesneden benevens het linker ovarium van het tweede geval afgebeeld. Bij het mikroskopisch onderzoek blijkt, dat inde groote ovaria van het eerste geval twee soorten cysten voorkomen: echte follikelcysten, herkenbaar aan haar bekleeding met een 4 tot 5 dubbele laag sterk gekleurde, kleine granulosacellen, en luteïnecysten (Vergelijk fig. 5 waar twee zulke cysten elkander tot op korten afstand naderen). De luteïnecysten zijn veel grooter dan de follikelcysten met sterk geplooiden wand. De inhoud bestaat uiteen zich rosé kleurende vloeistof zonder celkernen. De wand zelf is zeer karakteristiek door zijn groote luteïnecellen met groote kernen. Die cellen zijn dikwijls in rijen gerangschikt en omgeven dooreen matige hoeveelheid intercellulaire stof, waarin bovendien enkele bindweefselvezels met bindweefselkernen te zien zijn. Inde luteïnecellenlaag, die niet scherp van het normale ovariaalstroma is gescheiden, zijn bloedvaten en tal van capillairen. Aan den binnenkant van de luteïnecellenlaag is inde meeste cysten niet in alle een bindweefsellaagje te zien, nog slechts van geringe dikte (zie fig. 5). Inde grootere luteïnecysten is aan den binnenkant nergens een aanwijzing van granulosacellen te zien. Ineen paar kleine cysten echter was overeen geringe uitgestrektheid één laag cellen aanwezig, die zich door haar grootte en kleur als granulosacellen voordeden. De luteïnecellen ontstaan, daarover schijnt men het eens te zijn, uit de thecainterna der atretische follikels. (H eimann (11) Jerie (12) e.a.) Maar ook buiten de follikels om schijnt het stroma van het ovarium luteïnecellen te kunnen vormen, daar ik vrij tusschen de cysten in, zonder eenig verband met deze, groepjes van vele luteïnecellen vond liggen, die zich overigens in niets van de wandcellen der cysten onderscheiden. De ovaria der tweede patiënte vertooneu een geheel ander beeld, in zooverre als alle nog aanwezige cysten follikelcysten zijn. Hier eu daar zijn nog resten van luteïnecellen te zien, die rondom groote massa’s hyaline stof gelegen zijn, waarin enkele bindweefselcellen verspreid zijn (6); in het midden hiervan bevindt zich soms nog een met vloeistof gevulde holte. De luteïnecellen onderscheiden zich daar door haar sterk rosé getint protoplasma met groote, blaasvormige kernen. De vroeger aaneengesloten rij is echter verbroken, de cellen liggen in groepjes, omgeven door bindweefsel, dat tusschen haar indringt en waarin zich talrijke leucocyten bevinden (als gieren op het slag-

70

Sluiten