Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vandoor vocht uitgezet, zijnde vlokken in en om de infarcten gedegenereerd en gescleroseerd. 2. Ziekten van de deoidua. Deze meening zijnde meesten toegedaan; ik meen ten onrechte. Verdacht is het al dadelijk, dat men over den aard dier ziekten niets weet te vertellen. Er zijn inde decidua wel eens ontstekingsprooessen of degeneratiehaarden gevonden, o.a. door van der Hoeven (18), maar hij normale eieren vindt men die ook wel. Bovendien wordt de gedachte, dat ontstekingsprocessen van het slijmvlies eenige beteekenis zouden kunnen hebben, dadelijk onderdrukt door de overweging, dat in 90°j0 der tubairzwangerschappen een salpingitis bestaat of is voorafgegaan, terwijl toch slechts enkele gevallen van molazwangerschap inde tuba zijn beschreven. Daarbij komt nog, dat, in tegenstelling met wat veelal wordt beweerd, uit het statistische overzicht van Es se n-M öll er blijkt, dat noch de leeftijd noch het aantal voorafgegane verlossingen in eenig verband tot molazwangerschap staat, ongetwijfeld een krachtig argument tegen de beteekenis van eventueele ziekten of veranderingen van het uterusslijmvlies. Bovendien ontbeert de gemetastaseerde mola destruens alle contact met dat slijmvlies en was o.a. in ons geval de omgevende uteruswand volmaakt normaal. 3. De ovaria. Den invloed van deze kunnen wij niet geheel wegredeneeren. Tusschen de mola en de reeds zoo herhaaldelijk beschreven sterke woekering van luteïnecellen bestaat zeer zeker verband; maar zooals te recht wordt opgemerkt, treedt de vorming van luteïnecysten eerst op lang na het ontstaan der mola en ik kan daarbij voegen, hoofdzakelijk na haar uitstooting. Juist dit laatste bewijst ons, dat inde stromacellen van het ovarium een kracht sluimerde, die men onder andere omstandigheden slechts zelden, en nooit in die mate, aantreft. A priori is het dus niet onmogelijk, dat die cellen reeds vóór de bevruchting ineen toestand waren of daarna ineen toestand kwamen, die de oorzaak werd der rnolavorming. Toch zou dan moeilijk het voorkomen vaneen normaal ei naast een mola verklaard kunnen worden, tenzij men aannam, dat bovendien één der bevruchte eieren nog een bijzondere gevoeligheid voor dien invloed der ovaria bezat. En om dezelfde reden kan aan eventueele eigenaardigheden inde stofwisseling der andere bloedklieren geen overwegende beteekenis worden toegekend. Op grond van dezelfde redenen is ook de invloed van traumata niet aannemelijk en zijn wij uit gebrek aan iets anders wel genoodzaakt, de oorzaak inde chorinvlokken zelf te zoeken, hetzij dan uitsluitend of in samenwerking met zekere eigenaardigheden van liet moederlijk organisme.

75

Sluiten