Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De gegevens ter verklaring der mola zijn dus buitengewoon schaarsch en het is om die reden, dat Essen-Möller zich aansluit bij de aanhangers der deciduale theorie. Op degeneratieve veranderingen inde decidua doelende, zegt hij: Aber es sind doch Tatsachen da, wasman nicht vonder ovularen Theorie sagen kann. Is het niet merkwaardig, dat hij de geheele mola over het hoofd ziet! Da sind Tatsachen! Woekering van het trophoblast, woekering der stromacellen met opvolgende slijraige degeneratie! Juist de negatieve feiten dwingen ons, de oorzaak der molavorming te leggen inde vlokken zelf, waaruit de mola ontstond, even goed als de oorzaak der carcinomen, sarcomen enz. gelegen is inde cellen, die carcinomateus of sarcomateus gingen ontaarden. En al is het niet ónmogelijk, dat die ziekelijke neiging door van buiten komende prikkels tot uiting komt, even zeker is, dat een cel nooit een pathologischen groei zal vertoonen, wanneer het latente vermogen daartoe niet bestond. Deze invloeden van buiten op het ontstaan van gezwellen heeft men in alle richtingen nagevorscht het resultaat is gering, ofschoon toch niet geheel negatief. Maar geringer nog zijnde resultaten der onderzoekingen naar den invloed van veranderingen in het moederlijk organisme op het ontstaan eener mola. Vroeger heb ik betoogd, dat, aangezien het trophoblast een afzonderlijk differentiatie-product is van het ei, men het trophoblast niet op één lijn mag stellen met de derivaten vaneen der drie kiembladen. De tumoren daarvan evenmin. Waar wij reeds zagen, dat tnsschen de meest goedaardige mola en het trophoblastoom (chorioepithelioom), alle overgangen bestaan, daar komt het mij noodzakelijk voor ook de mola als een tumorvorming op te vatten, als een neoplasma, maar een neoplasma van het trophoblast, met een eigen bouw en eigen eigenschappen. Ik zou een mola wel niet als een tumor inden gewonen zin des woords willen zien opgevat, doch wel als een product van het trophoblast, dat analoog is met de neoplasmata der gewone lichaamscellen. De vraag naar de aetiologie der molazwangerschap zal dus ongeveer op dezelfde wijze beantwoord dienen te worden als die naar het ontstaan van tumoren. Zoolang wij geen beter inzicht inde aetiologie der gezwellen zullen hebben, zal dus ook de oorzaak van molavorming wel onopgehelderd blijven, tenzij misschien omgekeerd juist de mola, die een zooveel jonger orgaan is, ons in dezen licht mocht verschaffen. Bij de opvatting van de mola als een tumorvorming is het al dadelijk merkwaardig, dat nu eens al het trophoblast aan die tumor-

76

Sluiten