Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Be eerste nabehandeling gebeurt na 8 dagen, de volgende met tusschenruimten van 3 dagen. Op deze wijze bereikt hij een volledige afstooting van het uterus-slijm vlies, voor zooverre dat niet door de curette mocht zijn bereikt. De heer Vander Hoeven wacht met groote belangstelling de resultaten van het onderzoek van Driessen en van Kesteren af. De publicatie van F rank el dunkt hem, daar meer dan de helft der gevallen door Frankel uitgeschakeld zijn, niet bewijzend. Wat de onafhankelijkheid der menstruatie van de ovulatie betreft, noemt hij nog het feit, dat er vrouwen bestaan met 2 uteri, die onafhankelijk van elkaar menstrueeren. Ook heeft hij nagegaan de kans op tweelingen (speciaal twee-eiïge tweelingen) in verband met den leeftijd der vrouw. Daarbij blijkt, dat die kans toeneemt tot het 35ste jaar, en daarna weder vermindert. Dat schijnt er op te wijzen, dat er, op een bepaalden leeftijd althans, meer follikels rijp worden dan met het aantal menstruaties overeenkomt. De groote moeilijkheid om een aetiologisch verband aan te nemen tusschen ovulatie en menstruatie zit daarin, dat men door de curettage de menstruatie kan verzetten, en men toch moeilijk aannemen kan, dat men met de curettage de ovulatie influenceert. De heer E, i bbi u s merkt op, naar aanleiding van hot na 4 weken terugkomen van de menstruatie bij een curettage wegens abortus, of dit niet daarmede kan samenhangen, dat do menstruatie pas optreedt als de eiresten verwijderd zijn. Prof. Tan der Hoeven antwoordt, dat er een massa gevallen onder loopen3 waar eigenlijk geen foetaal weefsel meer aanwezig was. Mej. van Kesteren zegt, naar aanleiding van de quaestie der tweelingen, dat zij onder 40 gevallen er één heeft waargenomen met twee corpora lutea. De heer Driessen concludeert, dat wij toch inden kaatsten tijd belangrijk zijn vooruitgegaan, wat de kennis van de menstruatie en van het baarmoederslijmvlies betreft. Hij meent, dat de onderzoekingen vooral in biochemische richting moeten worden voortgezet. Wij weten nu reeds, dat de glycogeenvorrning begint met den 14‘le” dag, en dat de derde week de slijmafscheiding optreedt. Tegen den laatsten dag vóór de menstruatie verdwijnt het glycogeen. Wellicht zullen biochemische onderzoekingen van het ovarium ons verder kunnen brengen. De heer Slingenberg komt terug op de mededeeling van Dr. Mendes de Leon, dat hij döTir cauterisatie het therapeutisch effect van curettage verbetert. Hij betwijfelt, of dit mogelijk is, op grond van onderzoekingen van Zweifel, die bij cauterisatie slechts eeu streepvormige inwerking op het uterus-slijmvlies vond.

177

Sluiten