Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgens werd totaalexstirpatie gedaan. De uterus en de mikroskopische praeparaten worden vertoond. Het tweede praeparaat is eveneens een geëxstirpeerde uterus, afkomstig vaneen 45-jarige YHI-para, die voor I'/a jaar het laatst was bevallen. Deze patiënte klaagde over onregelmatige bloedingen en fluor. Zij zag er kachectisch uit, zoodat terstond aan een maligne degeneratie werd gedacht. Bij proefcurettage kwam evenwel geen carcinoom, maar een cysteus ontaard endometriura voor den dag met deciduaresten. Aanvankelijk verminderden de klachten, doch 4 maanden later kwam de patiënte weder terug, nog bleeker en slapper; zij had 5 weken achtereen weder hevig gevloeid. Spreker meende in dit geval tot een radicale operatie te moeten besluiten. Zijn ervaringen vaneen palliatieve therapie bij dergelijke slijmvliezen zijn zeer ongunstig; hij heeft 4 gevallen waargenomen, waar herhaalde curettage geen succes had; hij heeft in drie van die vier gevallen castratie toegepast, en slechts in één geval succes gezien van deze operatie, die hem bij fibromyoma uteri nog steeds blijft voldoen. Om deze reden heeft spreker in het boven vermelde geval besloten totaalexstirpatie te doen. Yan het oogenblik der operatie af is patiënte, wat haar algemeenen toestand betreft, enorm vooruitgegaan; na 1 '/■>. jaar was zij niet meer te herkennen. Het 3de geval betreft een tumor, die zoowel uit diagnostisch als uit operatief oogpunt moeilijkheden opleverde. De patiënte, een 52- jarige 0-para, was sinds 4 jaar in het climacterium. 10 Juni 1913 kwam zij met klachten over onregelmatige, weinig overvloedige bloedafscheiding, soms wat foetide. Bij onderzoek werd een groote tumor inden huik gevonden, die een paar vingerbreedten onder den ribbenboog stond. Bij inwendig onderzoek bleek het ostium externum wijd te zijn, met sikkelvormige, strak gespannen voorlip. De tumor was hard en onregelmatig op het aanvoelen, doch het gedeelte, dat men in het ostium bereiken kon, voelde weeker aan. Bij de operatie bleek, dat de tumor een fibromyoom vau de cervix uteri was; wat bij uitwendig onderzoek een subsereuse knobbel scheen te zijn, bleek bij de operatie het corpus uteri te wezen, dat met de adnexa op den tumor zat. Het in het cavum uitpuilende weekere gedeelte bleek, na harding, zoowel bij makro- als bij mikroskopisch onderzoek, sarcomateus ontaard te zijn. De operatie had bijzondere moeilijkheden opgeleverd. Toen de buik geopend was, bleek dat het peritoneum van de blaas sterk omhoog was getrokken. In dat peritoneum verliep een streng. De mogelijkheid, dat die streng de ureter kon zijn, stond spreker niet aanstonds voor den geest, en zoo werd zij bij het lospraepareeren

294

Sluiten