Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontwikkeling van de vrucht is dus niet verder gekomen dan de sde maand. Dr. de Sn o o zegt, dat een vóórliggendc foetus compressus soms diagnostische moeielijkheden geeft; om die reden worden er soms patiënten naar de kliniek gezonden. Vervolgens vertoont de heer van Dongen een foetus met placenta, in toto uitgestooten bij een ongehuwde I-gravida, bij welke twee malen misdadige pogingen waren gedaan om de zwangerschap af te breken. De placenta was dubbel doorboord dooreen katheter, die er nog in stak. Daar de patiënte nog wat vloeide, is zij inde kliniek gecuretteerd en getamponneerd. De heer de Sno o vertoont een aoephalus met placenta, afkomstig vaneen vrouw met drielingen en placenta praevia centralis. Patiënt, 34 jaar oud, was voor de 13de maal zwanger; zij had 2 abortus gehad en was 10 maal a terme bevallen, drie maal van tweelingen. Deze laatste zwangerschap was gepaard gegaan met zeer veel bezwaren; zij braakte veel, ging er slecht uitzien, had veel hinder van pijn inden buik, die overmatig was opgezet. Inde 27ste en 29gte week heeft zij een weinigje gevloeid; 25 Maart, toen zij 33 weken zwanger was, trad plotseling een zeer sterke bloeding op, nadat zij reeds een dag of vier weeën zou hebben gehad. Wegens die bloeding opneming inde kraaminrichting 7.30 v.m. Status: patiënte is zwak, pols klein, 120; zij ziet er slecht uit, is mager, geen oedemen. Inde urine 1 °/oo eiwit. De buik is sterk opgezet; er zijn weeën. Buiten een contractie is de uterus niet gespannen; men voelt dan minstens drie groote en vele kleine deelen; het gelukt niet, met zekerheid harttonen waar te nemen. De vagina is wijd, het bekken normaal. De cervix is zeer week, de uitwendige baarmoedermond wijder dan de inwendige, die 4 cM. ontsloten is en geheel bedekt met placentair weefsel. Er is geen bloeding. Te 11 uur vind ik den algemeenen toestand onveranderd, nog veel weeën; gebloed heeft patiënte na opneming niet meer. De inwendige baarmoedermond is nu 5 of 6 oM. ontsloten, de cervix is ongeveer 3 cM. lang, maarde uitwendige baarmoedermond belangrijk wijder dan de inwendige. De placentaire vlakte is glad; vóór, achter en links zit de placenta vast aan den uterus wand, die spoorvorraig over het halskanaal heenwelft. Alleen rechts heeft de placenta van den wand losgelaten, zoodat de vinger tusschen uteruswand en placenta kan indringen, zonder de vliezen te kunnen bereiken. Om de zonder meer onvermijdelijk te wachten zijnde bloeding te voorkomen, wordt onmiddellijk ingegrepen. Daar de vastzittende placenta de vorming vaneen onderste uterussegment verhindert, begin ik steeds

59

Sluiten