Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begrepen de gevallen van voetligging, daar beide liggingen voor de baring dezelfde beteekenis hebben; vanzelf vallen hierbuiten die gevallen, waar de voetligging werd tot stand gebracht dooreen gecombineerde of inwendige keering. Yan deze 138 kinderen kwamen er 96 levend ter wereld, 33 bij primiparae en 63 bij multiparae; hiervan’ geschiedde bij 2 primiparae en 4 multiparae de baring niet per vias naturales, doch werd het kind door keizersnede ter wereld gebracht. 42 kinderen werden dood geboren; van 9 daarvan waren primiparae, van 33 multiparae de moeders. Ook een van deze kinderen werd door sectio caesarea geboren, en wel een gemacereerde foetus van 2500 gram; de moeder, een multipara, leed aan uteruscarcinoom, waarom tegelijk de uterus werd geëxstirpeerd. Het zou echter niet geoorloofd zijn, uit deze cijfers een berekening te willen maken van de sterftekans voor het kind bij de baring in stuitligging. Een groot gedeelte van deze kinderen kwam namelijk praematuur ter wereld. Wanneer men voor de voldragen kinderen als maatstaf een gewicht van minstens 3000 gram laat gelden, dan blijkt, dat hieronder slechts 46 kinderen vallen, waarvan 18 geboren werden uit primiparae, en 28 uit multiparae. Inde 5 gevallen van tweelingzwangerschap met beide kinderen in stuitligging waren alle kinderen kleiner dan 3000 gram. Het kwam in het geheel 26 maal voor, dat de stuitligging gepaard ging met bekkenvernauwing, d. w. z. in 18.8 0/o. Let men alleen op de voldragen kinderen, dan wordt de frequentie der stuitligging bij bekkenvernauwing nog grooter; deze bestond n.l. in 11 van de 46 gevallen of 23.9 °/0. Dit hooge cijfer spreekt wel ten gunste van het niet door iedereen erkende verband tussohen bekkenvernauwing en stuitligging. Dikwijls komt ook voor de combinatie van stuitligging met placenta praevia; dit deed zich in het geheel in 16 gevallen voor, of in 11.6°/0, of, alleen voor de voldragen kinderen berekend, in 5 gevallen of 10.9°/o. Pleiten deze cijfers reeds voor de juistheid van de niet onbestreden gebleven meening, dat ook placenta praevia de menigvuldigheid der stuitliggingen inde hand werkt, overtuigender nog is de door Prof. Ko uw er gemaakte berekening, waaruit bleek, dat er op 102 gevallen van placenta praevia uit de Utrechtsche kliniek en polikliniek niet minder dan 27 stuitliggingen voorkwamen, d. w. z. in bijna22o70/o der gevallen, of, als alleen de kinderen boven 3000 gram meegeteld werden, in 6op 45 gevallen, d.i. in 13.3°/0. Ook door placenta praevia wordt dus het aantal stuitliggingen grooter gemaakt. Een plausibele verklaring hiervoor lijkt mij de volgende: Wanneer

15

Sluiten