Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een sterk opgezet gelaat; bij auscultatie blijkt, dat overal op de borstkas diepe ringen van den stethoscoop blijven staan. De longen zijn goed; boven alle ostia is een systolisch geruiseh en de 2de aortatoon is versterkt. De uterus staat bijna tot den ribbenboog. Het kind verkeert in hoofdligging; de harttonen zijn goed. De urine bevat geen eiwit en geen cylinders. Onder rust en zoutloos dieet nam het gewicht af van 74,6 K.G. op 7 Augustus, tot 68.3 K.G. op 12 Augustus om dan weder te stijgen tot 70,3 op 21 Augustus. Daarom werd diuretine gegeven, maar desondanks klom het gewicht verder. Wij meenden toen het zoutloos dieet te moeten vervangen door melkdiëet, temeer omdat patiënte 18 Augustus herhaaldelijk braakte en aanvallen van hoofdpijn had. Het gewicht steeg in 5 dagen nu nog weder 1,3 K.Gr. terwijl ondanks de melk inde urine eiwit optrad. Het ureumgehalte in het bloedserum bedroeg 100 mgr. (Dr. Grutte rink) per Liter. Aangezien ook de subjectieve klachten toenamen, werd de zwangerschapsduur was nu 36 weken weder . tot kunstmatige vroeggeboorte 'overgegaan. 36 uren na het inbrengen van den condoomcatheter wérd een levend kind van 2,270 K.G. geboren, dat zich goed ontwikkelde. De placenta woog 500 Gram en bevatte een klein randinfarct. , Op verzoek werd de melk weder vervangen door zoutloos diëet. Reeds den tweeden dag was de urine eiwitvrij, de diurese nam toe, den derden dag steeg ook de HaCl-afscheiding, zoodat den 6<ien dag het lichaamsgewicht met 9,3 K.G. was verminderd, d.i. ruim 5 K.G. meer, dan het gewicht van bloed en ei bedroegen. Den KDen dag was zij nog 1,8 K.G. meer afgevallen. De oedemen waren toen zoo goed als weg en er werd overgegaan tot gewoon eten. Drie dagen later, 13 September, den 13<len dag post partum, werd patiënte ontslagen met een gewicht van 63.7 K.G. (Fg. sffl.)5ffl.) Zes weken later vertoonde zij zich weder op de polikliniek. Zij was bleek, maar gevoelde zich vrij goed. Zij had echter weder sterk oedeem gekregen en haar lichaamsgewicht was tot 68,7 K.G. gestegen; terwijl de urine eiwitvrij was gebleven. De verschijnselen, die deze patiënte vertoonde, vooral de hoofdpijn en het braken, zouden allereerst aan een uraemisohen toestand doen denken. Het zeer lage ureumgehalte van het bloedserum sluit deze mogelijkheid echter uit, wat in verband met het laat optreden der albuminurie aan de nieren een overwegende beteekenis in het ziektebeeld ontzegt. Merkwaardigerwijze konden wij inde eerste

47

Sluiten