Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

111. Het interstitieele weefsel (interstitieele cellen; interstitieele klier). Bij de behandeling van de follikelatresie werd er reeds op gewezen, dat eender verschijnselen daarvan is de hypertrophie van de theca interna. De cellen hiervan nemen in omvang toe en vullen zich met vet. Ze worden vergeleken met de luteïnecellen van het corpus luteum en worden dan ook door sommigen theoaluteïnecellen genoemd. Eeeds dadelijk wil ik er op wijzen, dat het goed is het verschil hiertusschen in het oog te houden, want anders bestaat er alle gelegenheid tot verwarring, die trouwens reeds plaats heeft gegrepen ]). Voor hen, die aannemen, dat het corpus luteum opgebouwd wordt uit het bindweefsel der theca interna (en daartoe belmoren o.a. Nagel2), doch ook Nederlandsche schrijvers, die inden laatsten tijd over luteïneweefsel geschreven hebben, nl. Pompe van Meerder v oor t 3), Engelhard 4) en de Snoo 5)), bestaat er dan ook maar één soort van luteïneweefsel. Meer en meer wint echter de meening veld, dat het corpus luteum een product is van epitheliumweefsel 6), en dan is het een groot verschil, of men te doen heeft met echte luteïnecellen, d. w. z afkomstig van het corp. Int., dus oorspronkelijk epitheliumcellen, of wel met gewoekerd theca-internaweefsel, zoogen. thecaluteïnecellen ( bindweefsel). Het zou te ver voeren, hierop dieper in te gaan (mijn voornemen is deze kwestie elders te behandelen), genoeg zij het voor het oogenblik hierop gewezen te hebben. De hypertrophische met vet gevulde theca-internacellen, zooeven genoemd, worden beschouwd als te zijnde interstitieele cellen. ') De verwarring kan nog grooter worden, doordat Seitz met een derde soort van luteïnecellen voor den dag gekomen is en wel de stromaluteïneoellen. 2) Nagel in Handbuch der Anat. des Mensohen von K. von Bardeleben. 3) Zie inde discussie over de door Stratz gehouden voordracht „over de vergelijkende anatomie van het zoogdier-ovarium”. Ned. Tijdsch. v. Yerlosk. en Gyn. dl. IX, p. 151. 4) lets over den bouw van luteïnecysten, ibid dl. XVIII, p. 20. 5) Bijdrage tot de anatomie en de aetiologie der blaasmola, ibid XXIII, p. 56. e) Vooral Sobotta heeft zeer veel tot deze meening bijgedrageen in zijn mooie onderzoekingen over de ontwikkeling van bet corpus luteum bij de muis, konijn en cavia, gepubliceerd in Archiv f. mikrosk. Anat., Bd. 47. Anat. Hefte le Abtb., Bd. 8 en ibid Bd. 32. Stratz beeft hetzelfde proces bevestigd voor Tupaja, Sorex en Tarsius (zie in zijn werk over „die gesohlechtsreife Bierstock”) terwijl ook voor den mensch deze opvatting zeer waarschijnlijk gemaakt wordt door de onderzoekingen van Wall art: Brühstadien und Abortivformen der corpus-luteum-Bildung. Archiv f. Gyn. Bd. 103, p. 544 en von Miller Corpus luteum, Menstruation und Graviditat, Bd. 101, p. 568.

147

Sluiten