Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar somtijds bedrust te houden. Zij kwam met het verzoek met Röntgenstralen behandeld te worden. Aanvankelijk schenen mij de klachten niet van dien aard, dat’ chirurgische of stralen-behandeling in aanmerking behoefde te komen; toen, na het gebruik van laotas oalcis en secale de menorrhagieën niet of weinig verminderden, werd gecuretteerd met bovengenoemden onver wachten uitslag. De vraag, of het caroinoma ovarii primair is of opgevat moet worden als een vroegtijdige metastase van het carcinoma uteri, is moeilijk te beantwoorden. Mogelijk is ook de omgekeerde verhouding: de baarmoederaandoening een gevolg van het carcinoma ovarii. Het mikroskopisch beeld van de maligne nieuwvormingen verspreidt over deze vraag geen licht, want in het carcinoma uteri komen vreemde plekken voor, die aan een struma ovarii doen denken, anderzijds vertoont het carcinoma ovarii hier en daar het beeld vaneen typisch adeno-carcinoom, zooals men ook inde gedegenereerde uterusmucosa aantreft. Een derde mogelijkheid, dat beide tumoren onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan, moet ook in het oog gehouden worden. Volgens Pfaunenstiel zijn metastatische ovariaal-carciuomen zeer zeldzaam; zij ontstaan nog het meest in aansluiting aan kanker van het baarmoederlichaam door voortplanting langs de lymphbauen. In het onderhavig geval echter is de aandoening van het baarmoederslijmvlies gezeteld inden linker tubairhoek, terwijl het rechter ovarium is aangedaan; dat pleit-tegen de opvatting vaneen onderling verband van de beide gezwellen door middel van de lymphwegen. Wellicht zijn beide aandoeningen primaire carcinomen en hebben wij hier te doen met een individu, dat tot nieuwvormingen in verschillende organen een bijzondere dispositie heeft. b) Het tweede geval betreft een patiënte van 48 jaar, die dooreen collega naar Spr. ter bestraling was gezonden wegens een groot baarmoedergezwel: de diagnose luidde fibromyoma uteri. Wegens de sterke anaemie, de vermagering der zieke, de uitbreiding van het gezwel inden linker breeden band en den grooten omvang van de nieuwvorming, waarschijnlijk in betrekkelijk korten tijd ontstaan, vermoedde Spr. maligne degeneratie van het fibroom. Bij de laparotomie bleek de diagnose juist; het was zelfs niet mogelijk het linker gedeelte van den tumor geheel en al uit den breeden band te pellen. Voorts bleek na de verwijdering van het gezwel nog een metastatische knobbel ter grootte vaneen noot vlak voor de bifurcatie van de aorta te zitten; ook deze knobbel werd zoo goed mogelijk uitgepeld. Mikroskopisch werd de diagnose vastgesteld als fibromrcoma uteri met sarcoommetastasen. De patiënte wordt met Röntgenstralen nabehandeld,

301

Sluiten