Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nadeel zijn. Intueschen behoort dit door voortgezette waarnemingen te worden gecontroleerd. Verbloeding en infectie zijn de gevaren, die vrouwen met placenta praevia bedreigen. Ik meen te hebben aangetoond, dat het gevaar voor verbloeding p. p. vooral dan bestaat, wanneer de placenta op het O. U. S. is ingeplant. Daarnaast is gebleken, dat het gevaar voor infectie stijgt, wanneer de eerste bloeding drie dagen of langer voor de bevalling is opgetreden, vooral wanneer in dien tusschentijd inwendig is onderzocht en de onderste eipool, in casu de placenta, door de vingers is betast. Denken wij daarbij aan de gevaren van nabloeding uit het O. U. S., bij een cervioalc insertie der placenta, dan volgt daaruit, dat de Sectio Caesarea tot gevallen van placenta praevia corporis moet beperkt blijven. Doch, in die gevallen hebben wij haar, althans voor de moeder, niet noodig, zooals uit de beschrijving van het volgende geval blijkt, dat ik tijdens het uitwerken dezer studie in behandeling kreeg. 1919. No. 510, IV para, 31 jaar, werd in September, 36 weken zwanger, opgenomen wegens bloeding; de cervix was normaal, het halskanaal niet voor den vinger doorgankelijk. Niettegenstaande bedrust traden dagelijks kleine bloedingen op, tot na 3 weken een sterke bloeding volgde. Ik vond toen de cervix 3 cM. lang, met moeite voor den vinger doorgankelijk, en boven den iuwendigen mond de placenta, geheel los van het vrij gladde 5 tot 6 cM. breedc O. U. 8. Ter hoogte van den contractiering, die rondom zeer scherp te voelen was, bevond zich links achter een duidelijke spoor, terwijl rechts vóór de placenta tot 2 cM. boven den contractiering los was, én achter even de vliezen waren te bereiken. Wij hadden dus te doen met een placente praevia centralis corporis en overwogen keizersnede te doen. Daar de temperatuur en de pols volkomen normaal waren, meenden wij, niettegenstaande de vrouw reeds 3 weken bloedde, dat wij met een niet geïnfecteerd geval te maken hadden, aangezien oude uit het O. ü. S. te voorschijn gekomen stolsels volmaakt reukeloos waren, en patiënte slechts eenmaal bij een gesloten halskanaal 3 weken te voren was onderzocht. Maar niettegenstaande het kind leefde en nagenoeg voldragen was, meende ik daartoe toch niet te moeten overgaan. Het was echter zaak thans in te grijpen, ofschoon de haring nog niet was begonnen, daar door mijn onderzoek het infectiegevaar, wanneer de bevalling nog eenige dagen op zich

74

Sluiten