is toegevoegd aan je favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, jrg 17, 1941, no 29, 26-09-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"Een humoristisch liefdesverhaal door P. M. ZELL

HILDA en het Kasteelspook

Dokter Viltzien, weduwnaar en vader van een dochter. Hilda. kocht een oud kasteel om dit in te richten voor sanatorium. Een oude dienaar. Pampcl, hoorde bij het vervallen slot. Natuurlijk „spookte" het in het kasteel, maar de dokter trok zich daar niets van aan. Nu, de eerste nacht beloofde al niet veel goeds, want behalve dat er een storm opstak, waar' door alles in en aan het vervallen kasteel steunde en kraakte, hetgeen natuurlijk gepaard ging met angst' wekkende geluiden, sloop er een in het wit gehulde gestalte langs de op geheimzinnige wijze opengemaakte deur van Hilda's slaapkamer! Den volgenden morgen besprak de dokter zijn plannen met Hilda.

Om te beginnen wilde hij radicaal afrekenen met die dwaze spook' geschiedenis! Terwijl de dokter naar het dorp was om te informeeren waar zijn inboedel bleef, kwam 'n zekere Runtzer op het kasteel. Hij gedroeg zich brutaal en had met de dokter na diens terugkeer een onaangenaam onderhoud, waarbij bleek dat hij het kasteel aan den dokter had verkocht. Denzelfden dag, 's avonds laat, arriveerde een der patiënten van den dokter, Fr au von Tassilo.

In het naburige Nünzeldorf werd een jeugdig en avontuurlijk redacteur, Schmidt-Keune, opmerkzaam op het spookkasteel. Hij wilde er „werk" van maken! Op zijn tocht-met-hindernissen naar het kasteel had de jongeman zijn eerste ontmoeting met „het Spook", toen hij alvast zichzelf, als spook vermomd, wilde fotografeeren. Via een ruit, die hij brak, kwam hij in het kasteel, en na eenige moeite gelukte het hem, van dokter Viltzien onderdak te krijgen, zeer tegen den zin van Hilda. die pas den volgenden morgen hoorde, dat „die brutale jongeman" op het kasteel zou blijven. Maar zij moest natuurlijk tóch wel zorgen dat hij kreeg wat hij noodin had!

Dokter Viltzien nam zijn gast Schmidt-Keune onderhanden. Schmidt stelde zich echter voor als iemand van de Pers. die het geheim van het kasteel wilde oplossen. De dokter gaf de documenten van het kasteel. Den volgenden dag begon Schmidt zijn onderzoek.

Hij maakte hierdoor kennis met den architect Runtzer, die belast was met de restauratie van het oude kasteel. Op den avond van dien dag kreeg dokter Viltzien wéér bezoek van een keurigen heer, die Freiherr von Grotjahn bleek te zijn en een lang gesprek had met den dokter. Schmidt-Keune ging op onderzoek uit. Na zijn terugkeer hadden de dokter en hij weer een onderhoud, waarbij Viltzien vertelde dat telkens dc schaduw van een ridderuitrusting, die hij had verwijderd, terugkeerde op de plek. Het bleek een stoflaag te zijn.

Schmidt-Keune verwijderde deze zeer grondig en wachtte toen tot het nacht was geworden. Iedereen in het slot sliep al, toen hij op zijn teenen de erkerkamer binnen ging. De maan scheen met zwakke stralen door de ramen. Julius onderzocht den vloer heel zorgvuldig. Op de plaats, waar hij vroeger in den avond de schaduw had gezien. Zij was nog niet teruggekeerd.

„Ik zou toch wel eens willen weten, hoe zooiets mogelijk is!" dacht hij. Hij keek rond naar een geschikte plaats, om zich te verbergen. De kamer was nog niet gemeubeld en van gordijnen voorzien, zoodat hij geen goed plekje kon vinden. Daar zag hij in een hoek een opgerold karpet staan. Onhoorbaar sloop hij er heen, rolde het uit, trok het mee naar een stoel, waar hij in ging zitten en toen trok hij het kleed over zich heen. Zoo kon hij onmogelijk gezien worden, terwijl hij, .zoodra hij eenig verdacht gedruisch hoorde, over den rand van het karpet heen kon kijken.

Hij wachtte geduldig, maar hij kreeg het al vrij spoedig benauwd onder het dikke vloerkleed. Het duurde niet lang, eer Julius Caesar indutte. Plotseling schrok hij wakker. Hij hoorde iets bijzonders, een heel zwak geluid van naderende, schuifelende voetstappen. Uiterst voorzichtig verwijderde hij 't kleed van zijn hoofd, stond half op in zijn stoel en keek behoedzaam rond. Toen zag hij, wat het was. Uit de duisternis trad een magere gestalte te voorschijn, die tastend de armen uitstrekte.

De gestalte wankelde.

Zij bewoog zich in de richting van de plaats, waar de wapenrusting van den grijzen ridder had gestaan. De figuur trad in .het .zwakke licht van de maan en nu herkende Julius Caesar duidelijk de schoudermantel van den ridder. De anders zoo flinke, dappere jongeman werd doodsbleek van schrik en ontzetting. Het spook liet een dof geluid hooren.

Plotseling hief het de eene arm op boog het hoofd ver achterover. In zijn hand hield hij een glanzend voorwerp.. Daarna hoorde Julius een klokkend geluid. Hij keek scherper toe en zag nu in het maanlicht, dat het een flesch was, die het spook naar de mond had gebracht! De geur van brandewijn verspreidde zich door de kamer.

Het spook scheen een vreeselijke dorst te hebben. Telkens weer bracht het de flesch naar de mond en dronk opnieuw. Daarna haalde het een zak onder zijn mantel vandaan, knielde neer en begon, herhaaldelijk kuchend, iets op den vloer uit te strooien. De inhoud van de zak scheen prikkelend op zijn keel tel werken, w&ait het spook bleef hoesten en greep eenige oogenblikken later alweer naar de flesch! Toen kon Julius Caesar .zich niet langer meer inhouden.

„Proost!" zei hij luid en duidelijk. Het,, spook" schrok hevig en keek ontsteld op. Het verslikte zich en proestte de helft van de laatste slok uit. Het keek verward in 't rond. Het scheen, dat het niet in staat was, Schmidt-Keune te ontdekken. Blijkbaar deed het een uiterste poging, zich te kalmeeren. Het knielde weer neer, strooide iets uit de zak op de grond en begon daarmee de vloer te „beschilderen". Schmidt-Keune, die beslist alles wilde zien, keek over den rand van

het tapijt heen en boog zich in zijn ijver zoo ver voorover, dat het vloerkleed in beweging kwam en naar voren boog.

Het spook zag dat en stiet een afschuwelijke gil uit. De grijze ridder liet-zijn flesch vallen, sloeg angstig met de armen in de lucht en staarde met wijd-open oogen naar het menschengezicht, dat bij het licht van de maan boven het waggelende tapijt zichtbaar was.

Voordat Schmidt-Keune tijd had, om zich uit het kleed te bevrijden, was het slotspook al verdwenen. Julius Caesar had zich zóó goed in net karpet gehuld, dat hij er bijna niet meer uit kon komen. Zijn voet bleef in de franje haken en zoo kwam het, dat hij, met karpet en al, languit viel. Dat gaf natuurlijk een geweldige slag, die de nachtelijke stilte van het huis plotseling verstoorde en iedereen wakker deed schrikken.

Hilda nam dadelijk haar toevlucht tot haar vader, ie in allerijl een kamerjapon had aangeschoten en al uit zijn kamer kwam. Frau von Tassilo, Conrad Loeper en Freiherr von Grotjahn waren ook heel spoedig present. „Heeft U het gehoord?" „Die gil?" „Die knal?"

„Wie zou dat nu niet hooren?!" Zij riepen door elkander en vervolgens gingen zij gezamenlijk naar erkerkamer, waar het al eerder had gespookt. Daar vonden zij Julius Caesar, die met bloedend voorhoofd half bewusteloos op den vloer lag. Hij lag met zijn gezicht heel dicht bij de brandewijnflesch en was nog half in het karpet gerold. Loeper knielde bij hem neer en wreef hem met een doek over zijn voorhoofd.

Julius Caesar voelde een stekende pijn bij die aanraking van zijn hoofd. Hij merkte wel vaag, dat er

menschen om hem heen stonden, tnaar hij was nog half verdoofd door den val.

„De jonge man is totaal dronken," zei Loeper en wees met een veelzeggend gebaar op de ledige brandewijnflesch.

„Wat een mispunt!" zei Hilda hartgrondig en toen verliet zij met Frau von Tassilo de kamer.

Dr. Viltzien had niets gezegd, maar zijn oogen de kost gegeven. Hij bukte zich en nam een zak op, die op den vloer lag. Het was de zak van den stofzuiger!

Hij zag ook de „niet geheel afgewerkte" stofschaduw op den vloer en keek toen peinzend naar den journalist. Zou die jongeman toch niet betrouwbaar zijn en hem bedrogen hebben?

Hij knielde bij hem neer. SchmidtKeune had een flinke schram op zijn voorhoofd, die tamelijk erg bloedde.

Dr. Viltzien haalde verbandgerei. Toen kwam Schmidt-Keune weer eenigszins bij.

„Ik heb het weer gezien! Hier in de "

„Daar zullen wij het morgen wel eens over hebben, jongeman," zei Dr. Viltzien met het gezag van den geneesheer. Hij verbond de wonde van Julius O^esar en legde hem toen, met de hulp van den architect, in de aangrenzende kamer op een divan. Julius sloot de oogen en viel bijna dadelijk in slaap.

„Is hij beschonken?" vroeg de Freiherr.

„Neen," antwoordde Viltzien beslist, „zijn adem is vrij van alcoholgeur. Hij moet gevallen .zijn, of een klap hebben gekregen, die hem van zijn zinnen heeft beroofd." De mannen keken elkaar aan. Loeper zette een beteuterd gezicht en hij geneerde zich, dat hij zoo overijld had geoordeeld over den journalist. In de kelderruimte weerklonk

Eigen tctkciiag ....en greep eenige oogenblikken later alweet naar de flesch!