is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, jrg 17, 1941, no 29, 26-09-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aat out ZIJ HEEFT IMMERS MOOIE WITTE TANDEN! Zoo te zien heeft zij zelfs een volmaakt gebit, waarop ieder jaloersch kan zijn. Toch kan men iemands tanden niet alleen beoordeelen naar de voorzijde. Het grootste gevaar voor het gebit zit juist meestal verborgen: Achter de tanden groeit langzaam maar zeker een laag tandsteen. Tandsteen wordt steenhard en dringt tusschen de tanden en het tandvleesch. Het is de oorzaak van het los gaan staan der tanden, die ten slotte zelfs uitvallen. De moderne tandverzorging kan dit zoo gevaarlijke tandsteen echter doelmatig bestrijden. Solidoxtandpasta is hiervoor het aangewezen middel. Want Solidox-fandpasta is het eenige Nederlandsche tandpasta, dat Sul/oricinoleaat (Ned. Octr. 19178) bevat. Daardoor-voor komt Solidox niet alleen tandsteen, doch verwijdert ook reeds aanwezig tandsteen. Solidox maakt daardoor de tanden niet slechts parelwit, doch zorgt ook voor een volkomen rein en gezond gebit. Ga óók Solidox gebruiken en koop vandaag nog een tube. Poets tweemaal daags Uw tanden aan de voor- en achterzijde met Solidox en ga elk halfjaar naar Uw tandarts. SOLIDOX tegen tandsteen NU OOK EXTRA GROOTE TUBE VOOR 65. CT. VERKRIJGBAAR °*u. V. Ideaal ook voor reiniging van geverfd hout geverfde plafonds p Os! TURCO tmuectuoócli! Wat U ook wilt reinigen, met TURCO is het zóó gebeurd. Lakens en tafelkleeden zijn in een ommezien helderwit. De bonte wasch komt met mooie, frissche kleuren als nieuw uit de teil. TURCO bevat geen bijtende stoffen die het weefsel aantasten of de kleuren verbleeken. Ook geen schuurmiddelen, waardoor het emaille van Uw vaatwerk of het glazuur van Uw bad en waschtafels wordt beschadigdTURCO geeft niet het minste krasje. Reinigt ook Uw tapijten eens met TURCO. Ze zijn nog eens zoo mooi na behandeling met TURCO I TURCO is geen surrogaat. Het is een volwaardig waschmiddel dat in Amerika reeds jaren voor den oorlog populair was. Het dienstmeisje in een pakje TURCO tast de wasch niet aan PER GROOT PAK VOOR DE WASCH rap* ^cent^j DE VAAT ZONDER BON UW TAPIJTEN

amper twee jaar op de been te helpen. „Wat een allerliefste krullebol. Zoo groot 2ou ongeveer mijn jongen ook geweest zijn als hij was blijven leven," dacht Martha weemoedig, toen het kereltje overeind stond.

„Da, da?" vroeg dan het ventje vol verwachting tot haar omhoog blikkend.

„Zoo mannetje, wou je met me wandelen? Zou je moeder dat wel goedvinden? Waar is je moeder, kereltje?" en Martha keek over de heg, maar nergens was er een spoor van de buurvrouw te ontdekken.

„Mammie weg," lichtte de kleuter haar in.

„Vertel me eens ventje, hoe heet je?" vroeg Martha dan weer, nog steeds met de kleine groezele knuistjes in de hare.

„Hobbie," antwoordde het jochie prompt.

„Gaat Hobbie heel even met me mee, dan zullen we eens zien, of we nog wat lekkers hebben."

„Ja, ja!" stemde de kleine dadelijk zonder aarzelen en enthousiast toe. Naast Martha dribbelde hij over het grind naar de serre, waar hij onthaald werd op heerlijke koekjes, Martha had de kleine, die honderd uit babbelde, juist op haar schoot genomen, toen ze opeens in de tuin een vrouwenstem angstig hoorde roepen:

„Robbie! Robbie! Waar zit je dan toch! Rob-bie-ie-ieü"

Het kind was plotseling niet meer te houden. „Mammie! Mammie!" en hij schoot met zoo'n vaart van Martha's schoot af, dat hij met een bons op de vloer terecht kwam en het op een huilen zette. Martha raapte het bundeltje verdriet haastig op en met het ventje op den arm liep ze* de tuin in. „O gelukkig, daar is hij," riep het jonge vrouwtje, haar angst vergetend bij het zien van haar kleine schat, die alweer van plezier kraaide. „De kleine wou zeker eens kennis met me komen maken, door dit gat hier kwam hij naar me toegekropen. Ik zag u nergens en nam hem maar even mee, het spijt me, dat u zoo over hem in angst gezeten heeft, als ik dat geweten had, was ik niet met hem naar binnen gegaan," verontschuldigde Martha zich.

„O, dat is heelemaal niet erg, mevrouw, ik was alleen maar bang, dat Robbie de straat opgeloopen was." „Ik wist niet, dat u kinderen had," zei Martha dan.

„Robbie is ook nog maar één dag hier, hij is zoolang bij onze vroegere buren gebleven, vanwege de verhuizing ziet u, daar was hij goed geborgen. Mijn man heeft hem pas gisterenavond teruggehaald, ofschoon ik nu met de wasch nog bijna geen tijd heb om op hem te passen, maar ik verlangde zoo naar hem."

„Dat kan ik me best begrijpen. Maar weet u wat, mevrouwtje, brengt U voortaan het kereltje maar gerust zoolang bij mij als u hem een tijdje kwijt wilt zijn," stelde Martha voor, gehoor gevend aan een plotselinge impuls.

„Maar mevrouw," weerde de jonge moeder af, „dat zou veel te lastig voor u zijn, Robbie is soms zoo wild en ondeugend ook al, hoe klein ie is." ,,0, dat hindert niets, hoor. Ik zou dolgraag het ventje zoo nu en dan bij me willen hebben, het is toch zoo'n schat van een jongen." „Ja mevrouw, dat is het, voor geen geld ter wereld zou ik mijn kleine

Robbie willen missen. U heeft zelf geloof ik nog geen kinderen, is het wel mevrouw?"

„Nee, jammer genoeg niet," cn Martha voelde plotseling een brok in haar keel.

„Ik zeg maar zoo, wat niet is, kan komen, niet waar mevrouw?" meende buurvrouw te troosten.

„Ja, u heeft gelijk," antwoordde Martha en met een geforceerd flauw lachje. „Maar kom, ik wil u niet langer ophouden. U brengt de kleine Robbie dus wel eens is 't niet?"

„Als u er dan persé op staat, goed dan, mevrotr\«. Voor mij is het een heel gemak, 31s ik het druk heb. Als Robbie te lastig wordt zet u hem maar weer over de heg, hé?..."

En zoo was het dan gekomen, dat Robbie op geregelde tijden een bezoek bracht aan de deftige villa van Bloemink.

Martha was dol op het parmantig kereltje, dat zich al heelemaal bij haar thuis gevoelde en geen wonder, hij werd in de villa natuurlijk danig verwend. Toch sloeg Bloemink dit alles met eenige bezorgdheid gade. Hij vreesde te recht, dat zijn vrouw zich al te veel aan het kind zou hechten, het viel hem op, hoe verwoed Martha soms uren achtereen kon zitten breien aan een truitje of iets anders voor het kind, een bezigheid waar ze anders een gruwelijken hekel aan dacht te hebben. Het was al zelfs zoo erg, dat de dagen waarop Robbie niet kwam, Martha onrustig door het huis liep en slecht gehumeurd was. Eens had Bloemink haar verrast, toen hij op een middag onverwacht thuis kwam en z'n vrouw in de huiskamer vond, naast Robbie geknield op de vloer, zoo verdiept in het kind en diens spel, dat ze haar man niet eens opmerkte. Het was duidelijk, dat ze heelemaal in het kind opging en haar omgeving vergat. Bloemink had zich toen weer stil en ongemerkt verwijderd, maar van dien tijd was zijn bezorgdheid nog toe genomen, immers, wat als de buren weer vertrokken en Martha het kind moest missen? De angst sloeg hem om het hart als hij daaraan dacht, meer dan ooit zou Martha de leegte voelen. Toch kon hij het niet over zijn hart verkrijgen hierover met Martha te spreken, hij wilde haar vreugde niet wreed verstoren en haar deze illusie niet voor den tijd ontnemen.

En dan op een nacht gebeurde het vreeselijke. Meneer en mevrouw Bloemink hadden zich juist ter ruste begeven, toen ze de nadering van vliegtuigen hoorden. Dit was echter een bijna iederen nacht regelmatig terugkeerend verschijnsel, zoodat ze er niet veel aandacht aan schonken. Maar dezen avond scheen er toch iets bijzonders aan de hand te zijn, want plotseling hoorden ze duidelijk het mitrailleurvuur van de vliegtuigen, zonder twijfel had er een luchtgevecht vlak in de buurt plaats. Bloemink had nu geen rust meer. „Kom Martha, laten we maar liever in de schuilkelder gaan, het lijkt me lang niet pluis in de lucht." Nauwelijks had hij dit gezegd of er volgde een dreunende slag met daarop een hevige explosie, die de muren van de villa deed wankelen en gedeeltelijk ineenstorten, vensterruiten sloegen rinkelend neer. Een luide doordringende gil Weerklonk, dan was een oogenblik alles stil. Met groote inspanning wist Bloemink zich eindelijk uit het puin, dat