is toegevoegd aan je favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, jrg 17, 1941, no 29, 26-09-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALLEEN DE BESTE RASSEN Z'JN HEDEN GOED GENOEG

MELKC0NTR01E LOONT f

GEBRUIK GOEDGEKEURD ZAAIZAAD EN POOT GOED

van de ineengestorte buitenmuur op hem gevallen was, te bevrijden. Hij was zoo goed als ongedeerd, behalve z'n rechterarm, die gekneusd bleek te zijn. Hij riep zijn vrouw maar kreeg geen antwoord. Doodsangst maakte zich van hem meester. Tastend in het donker door de geruïneerde slaapkamer en telkens struikelend over de her en der verspreid liggende steenen, bereikte hij het bed, dat nog intact scheen te zijn. Op een der nachtkastjes moet een zaklantaarn liggen, bedacht Bloemink en na eenige oogenblikken vond hij deze dan ook. Vlug knipte hij het licht aan en zag dan tot zijn ontsteltenis Martha dwars over het bed liggen met .een groote gapende wonde in het voorhoofd waaruit een breede straal bloed vloeide. Bloemink constateerde opgelucht, dat ze niet dood, maar bewusteloos was, haar hart klopte gelukkig nog. Met de aanwezige lakens trachtte hij zooveel mogelijk het bloed te stelpen. Dan begaf hij zich naar de bovenverdieping om te zien wat er van de beide dienstmeisjes geworden was, maar op de trap kwamen deze hem al tegemoet, nog bleek en bevend van schrik, maar volkomen ongedeerd, haar vertrekken waren niet getroffen geworden.

„Vlug meisjes, mevrouw is gewond, help me gauw haar uit de slaapkamer te dragen, ik ben bang dat de muren nog verder instorten daar." Verschrikt volgden de meisjes hem op den voet en voorzichtig werd Martha naar een veiliger vertrek overgebracht, nog steeds bewusteloos. Bloemink belde daarna de dokter op en na z'n vrouw aan de hoede van de twee meisjes te hebben overgelaten, spoedde hij zich naar de buren, want hij vreesde, dat ook daar onheil zou zijn aangericht; zijn vermoeden bleek helaas werkelijkheid. Inmiddels was de dokter met eenige

Foto Polygooa-v. Bilsen

leden van het Roode Kruis en de Luchtbeschermingsdienst bij de villa aangekomen. Martha werd terstond naar het ziekenhuis overgebracht, ze bleek door een bomscherf getroffen te zijn, de wonde was echter niet doodelijk, verzekerde de dokter. Ook Bloemink zelf werd in het ziekenhuis verbonden, zijn arm was intusschen al leelijk opgezwollen, tot nu toe had hij er weinig aandacht aan geschonken.

Pas de volgende avond kwam Martha tot bewustzijn. Toen ze haar oogen opsloeg, zag ze haar man naast haar bed zitten, de dokter stond aan den anderen kant. Onwillekeurig voelde ze haar hoofd dat dik omzwachteld was en dan herinnerde ze zich plotseling het gebeurde. Ze voelde zich echter nog heel zwak hoewel ze weinig pijn had. De dokter was heel tevreden over den toestand. ,,U mag van geluk spreken, mevrouw, het was op het kantje af, bijna waren de hersens geraakt. Een paar weken volstrekte rust en u is er weer bovenop, evenals uw man, die zich voorloopig ook wat kalm moet houden."

Dan gaf Bloemink haar een volledig verslag van het gebeurde in dien verschrikkelijken nacht, dat de dienstmeisjes gered waren, hoe het huis er uitzag en.zoo meer.

„En bij de buren, Theo, hoe is het daar?"

„Het huisje is totaal vernield, maar de bewoners zijn buiten gevaar nu," zei Bloemink aarzelend.

„Buiten gevaar zeg je? Dus wel getroffen. En Robbie? Zeg Theo, je doet opeens zoo vreemd, er is toch niets met Robbie?" vroeg Martha opeens angstig.

„Robbie mankeert niets, die is springlevend hoor," verzekerde Bloemink.

„Goddank! Ik was al bang. Ik zou hem zoo graag willen zien, kan hij niet hierkomen Theo?"

„Ik zal eens aan de dokter vragen of het mag, misschien over een paar dagen, als je je wat beter voelt."

Een week later kwam Bloemink met de kleine Robbie aan de hand de ziekenkamer binnen. Martha's gezicht straalde, terwijl ze beide handen naar het kind uitstrekte. „Kom eens gauw hier, m'n kleine lieve Robbie, wat heb ik je in langen tijd niet gezien, het leek wel een eeuwigheid!"

„Je moest hem maar voorgoed bij je houden, als je weer beter bent, zou dat niet het beste zijn?" vroeg Bloemink.

„Hoe kun je nu zoo iets zeggen," klonk het wat verstoord terug. Theo begreep toch evengoed als zij, dat de ouders hun kind nooit zouden willen missen, het nooit afstaan aan wie ook.

Dan vertelde Bloemink zijn vrouw de waarheid. Tot nu toe had hij gezwegen, omdat Martha zich volstrekt niet mocht opwinden. De ouders van

Robbie waren beiden dood onder het puin vandaan gehaald. Wonder boven wonder was het kind volkomen ongedeerd gebleven, Bloemink zelf had Robbie uit het huis gedragen. Men had het kind in een weeshuis ondergebracht, daar het nu geheel alleen op de wereld achtergebleven was, naaste bloedverwanten bestonden er niet meer. Met groote ontroering had Martha het droevig verhaal aangehoord. „Arme menschen," zei ze, „ze waren zoo gelukkig samen en zoo jong nog. Arme kleine Robbie, z'n beide ouders in één slag zoo te moeten verliezen, hoe verschrikkelijk," en Martha's oogen stonden vol tranen.

„Nu zul je mijn vraag beter begrijpen, is 't niet Martha? Vind je het goed, dat wij de kleine Robbie als ons eigen kind aannemen?" „Jij lieve, beste man," was alles wat Martha antwoordde, maar in haar oogen las Bloemink een groote dankbaarheid en een stille weemoedige vreugde om dit geluk dat langs zoo wondere wegen vol vertrouwen tot haar gekomen was om nu door haar gekoesterd te worden.

KLEINE OORZAKEN...

groote gevolgen! i

Bijdragen, die in deze rubriek worden opgenomen, beloonen wij met 'n gulden; is er een foto bij, die geschikt is om te worden afgedrukt, dan ontvangt de inzender nog een gulden extra. Iedere abonné mag aan deze rubriek meedoen; bijdragen mogen met eigen naam of met een schuilnaam worden onderteekend, mits de echte naam aan de redactie wordt bekend gemaakt. Inzendingen kunnen gericht worden aan

De Redactie van DE GEÏLLUSTREERDE PERS, POSTBUS 497, A'DAM.

DE SCHEEVE NEUS. Het geval dat ik heb meegemaakt is al tien jaar geleden.

Het was in de zomer, we gingen een fietstochtje maken. De weg die we volgden was bezaaid met zwarte vliegjes en die zaten telkens op mijn witte jasje.

Terwijl ik druk bezig was die beestjes te verjagen, lette ik niet op mijn fiets en bom... daar lag ik met mijn karretje in het gras. Alles liep goed af, behalve mijn neus, die gaf me een gevoel alsof hij plat gedrukt was! De volgende dag durfde ik me haast niet te vertoonen. Het gevolg dezer historie is dat mijn neus nog altijd scheef zit.

Ik onderteeken met een schuilnaam want als mijn plaatsgenooten dit mochten lezen kijken ze me straks alle naar mijn neus en daar kan ik niet tegen.

Toeriste.

GELUK DOOR ONGELUK. Kleine oorzaken kunnen groote

gevolgen hebben. Inderdaad. Het redde mij van een wisse dood. Ik logeerde verleden jaar, evenals nu, bij mijn grootouders te Apeldoorn en was in het schuurtje, achter het huis aan het houthakken, toen mijn tante en haar dochtertje, een peuter van twee jaar op visite kwamen. De kleine struikelde over een steen en bezeerde haar beentje. Aan haar schreien kwam geen eind. Ik liep de schuur uit om haar naar binnen te dragen, doch nauwelijks was ik buiten, of met donderend geraas zakte de vliering, waarop een groot gewicht aan hout stond, naar beneden.

Was de kleine niet gevallen, dan...??

L. G. v. d. Berg, Spanjaardstr.

105a, R'dam.

POSTZEGELS EN LIEFDE. „Heb je nu niet eens een paar postzegels voor me Wim? Ank verzamelt ze zoo enthousiast en zij is zoo'n iieve vriendin voor me. Geef me er nu eens een paar echte zeldzame."

Diep over mijn zegels heengebogen, bromde ik mijn zus toe: „Een echt verzamelaar geeft geen postzegels weg en bovendien ken ik je Ank niet."

Twee dagen daarna mis ik in een ernstige postzegelbui 20 zegels! Toch iets voor terug gekregen, dat me véél meer dan 20 postzegels waard is! U raadt w?l wat ik bedoel.

Wimer, Elden.