is toegevoegd aan je favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, jrg 17, 1941, no 35, 07-11-1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V De ar reuk moge veranderd rij»^aarn* ^T van ««« °p 1os ; Door het ^ ge wij*g<imiü'^ isde ' e " dit „ets af. Want Aan ie k*» 1 ®' , er „ as .sootten(en<laal de «genschappen ^ deze i . k0mthetOP rUon,ootwaatdeHikgegde' Dat wo , ivoo rU«iookostbate tandeeid' Bh)f« 0 ^ &da , gebruiken: schoenen zotgen ^ insm eten is maat met overleg duit botstelen. -rr ti»« bM ) rijn' A No. 274

Dat was heel goed Jan Bij de aardrijkskundeles, bij geschiedenis en natuurkunde -weet Jan meer, dan de andere jongens en meisjes uit zijn klas. Onlangs heeft de onderwijzer hem eens gevraagd, hoe hij toch zoo goed op de hoogte komt. En Jcm antwoordde : „Ik bekijk altijd de foto's in De Geïllustreerde Pers en ik lees aandachtig de artikelen, die er bij behooren. Vader zegt, dat het goed is voor mijn ontwikkeling".

DE GEÏLLUSTREERDE PERS EEN GRAAG GEZIENE GAST IN MEER DAN 125.000 GEZINNEN.

Hilda gaf haar vader een arm en klampte zich krampachtig aan hem vast. „Neen, vader, ik blijf bij U!" Julius Caesar verdween in de witte stofwolk. Eenige oogenblikken later hoorden zij hem luid roepen; „Au! Au!"

Toen snelden zij hem na.

„Julius!" gilde Hilda, „waar ben je?" „Hier! Ik heb een tweeden kelder ontdekt. Kom maar hier... Voorzichtig, ge moet een trapje op. Duivekater! Wat een buil heb ik op mijn voorhoofd."

Loeper ging vliegensvlug terug, om een groote zaklantaarn te halen. Hij liet even later het licht in de tweede kelderruimte schijnen.

Het edele hoofd van Julius Caesar — dat ouder gewoonte weer geschonden was — stak boven de steenen vloer uit. Die was over een afstand van een paar meter opengescheurd en ingestort. Met puin overdekte, oeroude, onregelmatige treden voerden verder naar de diepte.

Dr. Viltzien knielde neer en zag Julius' bloedende voorhoofd. „Maar, jongen, heb ik dan nog geen patiënten genoeg?"

„Is het gevaarlijk, vader?" vroeg Hilda angstiig-bezorgd. 't Liefst had zij haar Julius dadelijk willen verbinden, maar daar had hij nu geen tijd voor!

„Neen, kind, een schram en een buil."

„Troost je, Hilda," zei Julius onbezorgd en met een verliefden glimlach, „mijn hoofd kan heel wat hebben! Laten wij het geval verder onderzoeken."

Heel voorzichtig liepen zij de steenen treden af.

Weldra kwamen zij in een onderaardsche gang. Niemand wist, waar die heen leidde. Zij gingen verder en bereikten een klein gewelf, dat den vorm had van een groote ton. Tegen de muur stond een kist van dik eikenhout. Julius liep er heen en lichtte het deksel op. Loeper hielp hem daarbij. Aller harten begonnen sneller te kloppen van verrassing en opwinding. In de doodkist lag het stoffelijk overschot van den grijzen ridder!

Het was geheel gaaf en behouden, alleen een weinig mager en uitgedroogd. De onverteerde haren waren duidelijk te onderscheiden en de tanden glansden helderwit door de ternauwernood gesloten lippen. De handen waren gevouwen.

Het lijk was een mummie geworden. Hier aanschouwden zij een herhaling van het wonderlijke gebeuren met den ridder von Kahlbutz in Kampehl en van den loodkelder in Bremen.

Eeuwen lang was 't doode lichaam van den grijzen ridder onverteerd gebleven.

Plotseling keken zij allen verschrikt op. In de gang, die naar het gewelf leidde, hoorden zij naderende voetstappen. Zij luisterden gespannen. De gestalte kwam langzaam dichter ibij en zij zagen, dat het Freiherr von Grotjahn was.

Hij keek zeer verwonderd om zich heen.

„Merkwaardig, hoogst merkwaardig..., ik heb dit hier nog nooit gezien."

„Er moest eerst zoo uitbundig en geweldig feest gevierd worden, dat de fundamenten er van begonnen te kraken," merkte dokter Viltzien lachend op.

De Freiherr bukte zich over de doodkist.

„Deze man zou dus mijn voorvader gedood hebben..."

Julius Caesar gunde izich geen rust en was al weer bezig, het gewelf verder te onderzoeken. En zijn ijver werd beloond!

„Let op een flinke; energieke journalist lost een geheimzinnige moordzaak ook na vele eeuwen nog op! Wat hebben wij hier?" Schmidt-Keune had op de muur een plaats ontdekt waar twee groote vierkante steenen losgeslagen en uit de wand gerukt waren. Achter de opening, die daardoor was gevormd, was een holte. Julius greep daar in. En hij haalde er een oud, half vergaan kleedingstuk uit, een ouderwetsche schoudermantel met cape!

Loeper belichtte het met zijn zaklantaarn. Dr. Viltzien bekeek het nauwkeuriger en wees op enkele donkere plekken.

„Dat is vermoedelijk bloed. De grijze ridder heeft zijn met bloed bevlekte mantel die hij bij 't plegen van den moord droeg, hier ingemetseld. Terwijl wij hierboven dansten, is de gang door het langdurige, regelmatige gestamp op den vloer ingestort. En daarbij izijn ook deze los ingemetselde steenen losgeraakt."

„Zoo komt tenslotte alles aan het daglicht," merkte de oude Freiherr op.

De deksel werd weder op de kist gelegd.

„Wij zullen onze gasten niet verder ongerust maken," zei Dr. Viltzien. „Laten wij met niemand hierover spreken, 't Is veel beter, dat het onder ons blijft."

„Onder ons? En dat zegt U in tegenwoordigheid van een man van de pers? Dat vind ik meer dan lichtzinnig, schoonpapa! U begrijpt toch wel, dat zoo iets belangrijks niet verzwegen mag worden? Ik wil heel igraag beloven, dat ik er niet met de dames over zal spreken, maar eenmaal komt immers toch alles uit en ik ben van meening, dat in ons land, dat zoo rijk is aan sages en legenden, ook dit tot een zeer boeiend en interessant artikel kan worden verwerkt. Ik zal het echter zoo schrijven, dat niemand zal begrijpen of vermoeden, dat wij in die geschiedenis een voorname rol hebben gespeeld. Geen namen noemen!"

De heeren gingen weer terug naar de dames patiënten. Het vuurwerk was juist begonnen. Het feest werd met nieuwe vreugde en opgewektheid vervolgd.

Met een dik verband om zijn hoofd zat Julius den volgenden middag achter zijn schrijfmachine en schreef een artikel voor zijn krant over de ontdekking van het lijk van den grijzen ridder. Eigenlijk was het meer een poging om dat artikel te schrijven, want hij schoot niet op. Telkens weer hield hij op en staarde nadenkend voor zich uit.

„... het lijk van den voor ongeveer 40 jaren gestorven ridder, dat onverteerd, volkomen gaaf werd teruggevonden — hetgeen Dr. Viltzien, de bekende zenuwspecialist, toeschrijft aan de aanwezigheid van een radium-houdende waterader, die in de grond onder den kelder aanwezig moet zijn..."