is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1942, no 5, 30-01-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Contact met onzen lezerskring

Mijnheer F. van D., Rotterdam. U stelt voor de nuttige wenken, die in 't rubriekje „Wat doe je in de kou?" zijn verschenen, in een drukwerkje te verzamelen, omdat vele ervan practisch en interessant zijn. Een mooi voorstel vinden we dat, ook al omdat 't een bewijs is, dat deze rubriek, die door de leezrs zelf is verzorgd, de aandacht heeft getrokken. Daarom spijt 't ons, dat wij op dit voorstel met den besten wil ter wereld niet kunnen ingaan. De reden is heel eenvoudig, dat in verband met de huidige paplerschaarschte vast en zeker geen toestemming wordt gegeven voor 't vervaardigen en uitgeven van zulk een drukwerkje. Wij kunnen dus niets anders doen dan U vriendelijk bedanken voor uw goede gedachte

Mijnheer M. S. te Leeuwarden, vraagt of hij ons korte verhalen ter inzage mag sturen. Natuurliik moogt U dat; we vinden 't meer dan netjes van U, dat U 't eerst vraagt. Maar we raden 't U niet aan! Want we ontvangen zóó veel korte verhalen, en er is — vooral tegenwoordig — zóó weinig plaats, dat we bijna iedereen teleur moeten stellen. En dat doen we niet graag, omdat we weten, dat in 't schrijven van die verhalen veel werk, veel energie en veel intiiatlef schuilt.

Mevrouw W. S. te Arnhem, stelde ons de volgende vraag:

„Ik wilde dezer dagen met den trein een reisje maken, dat ƒ 0.75 kost. Ik had geen gepast geld en gaf een briefje van ƒ 1 De beambte aan het loket eischte, dat ik met gepast geld zou betalen, want hij

kon niet terug geven. Toevallig had ik gezien, dat een dame, die voor mij was, een bedrag betaalde waarbij zij twee kwartjes gaf. Ik probeerde den beambte te overtuigen, dat hij me toch wel een kwartje kon terug geven, doch alles zonder resultaat. Ik kreeg dus zoo mlln kaartje niet. Dank zij de bereidwillig-

ANPBJS MA6 UHIBT Mff

held van een medereiziger werd de gulden gewisseld en kon ik met gepast geld betalen. Ik meen, dat het klachten-bureau der N.S. opgeheven is. Kunt U mij misschien vertellen, waar ik nu zoo'n geval, dat toch wel al te grof is, ter onderzoek kan voorleggen?"

Deze vraag hebben wij voorgelegd aan de Nederlandsche Spoorwegen, en wij ontvingen het volgende antweord: „In antwoord op bovengenoemd schrijven deelen wij U mede, dat ook de Nederlandsche Spoorwegen zich tot ons leedwezen gedwongen hebben gezien betalingen aan de loketten met gepast geld te verzoeken. Wij hebben dezen maatregel tijdig gepubliceerd en kunnen hierin geen wijziging brengen."

Ziedaar, geachte mevrouw uit Arnhem het geheele antwoord van de Spoorwegen. U zult zeggen: „Nu weet ik nog nletsl" Wij ook nletl Mijnheer B. ]. K. te Amsterdam, stelt voor de rijksdaalder van de wekelijksche rijksdaalderpuzzle te splitsen in drie prijzen van een gulden, want — zoo schrijft hij — het is toch meer te doen om de aardigheid iets te winnen, en het verhoogt de attractie.

De redactie heeft geen bezwaar tegen dit voorstel, maar vindt het verschil in attractie niet groot. We zullen zoo afspreken, dat we den prijs van een rijksdaalder zullen veranderen in drie prijzen

van een gulden, indien uit den lezerskring blijkt,, dat men daar de voorkeur aan geeft.

Mijnheer „Muzikale lezer" te Rotterdam, zou graag zien, dat we in ons blad een rubriek zouden openen onder den titel „Bekende orkesten", en dat we daarin orkesten zooals b.v, „The Ramblers", Klaas van Beek, Frans Wouters, Ernst van 't Hoff de revue zouden laten passeeren.

Wel bedankt voor uw idee mijnheer, dat we evenwel niet kunnen aanvaarden. Zelfs als we even de vraag In 't midden laten of voor zulk een rubriek algemeene belangstelling zou bestaan, is er toch nog 'n te groot bezwaar, 'n Rubriek is immers iets, dat regelmatig terug komt, dat dus ook regelmatig plaatsruimte vereischt. En plaatsruimte is nooit schaarscher geweest dan juist in dezen tijd. De beschikbare ruimte hebben we hard ncodig om elke week behoorlijke afwisseling

in den inhoud te kunnen brengen. Mogelijk komt er eens aanleiding een reportage te wijden aan een orkest, maar aan een rubriek van orkesten... neen daar kunnen we nu niet over prakkezeeren.

DE NEGEN MILLIOENSTE NEDERLANDER

Sonmiiga lezers en lezeressen geven lichte teekenen van ongeduld, omdot ze de laatste weken niets meer in ons blad hebben gelezen over den negen millioensten Nederlander die omstreeks December 1941 geboren moet zijn.

We kunnen ons dit ongeduld voorstellen, maar moeten den bezitters van dit ongeduld (oi, als U wilt dengenen die er door bezeten zijn) vriendelijk verzoeken het nog even te bedwingen. Het Centraal Bureau voor Statistiek kan ons pas omstreeks hali Maart de noodige gegevens verstrekken.

Het duurt dus nog wel even, maar vinden sullen we hem, dat merkwaardige negen millioenste Nederlandertjel

OVi -Wfit

lk ken iemand, die z'n dag ongeveer op de volgende manier doorbrengt. Als hij 's morgens is opgestaan geldt z'n eerste gedachte het ochtendblad. Hij grijpt er nog gretiger naar dan naar z'n boterhammet-jam en bestudeert 't oorlogsnieuws. Dan gaat hij naar z'n kantoor, maar van werken komt dikwijls niet veel terecht, want urenlang bespreekt hij met z'n collega's den internationalen toestand, ledereen heeft daar zoo z'n eigen kijk op en er ontplooien zich dus gemakkelijk breede discussies, gekruid met fantasie en besproeid met geruchten. Onder 't middaguur zijn 't de oorlogsberichten van de radio, die zijn aandacht vragen, en tijdens de middag-kantooruren geven die aanleiding tot uitvoerig commentaar.

Als hij 's avonds thuis komt verdiept hij zich onmiddellijk in 't oorlogsnieuws van z'n avondblad. Vindt hij de berichten gunstig, dan eet hij smakelijk, ook al dient z'n vrouw hem een maaltijd van uitsluitend surrogaten op, maar o, wat heeft hij 'n bittere critiek op z'n lievelingskostje. Indien de berichten hem niet bevallen! Na 't avondeten zet hij z'n radio-toestel aan om naar de eerste avondberichten over de oorlog te luisteren. De rest van den avond brengt hij meestal thuis door, dicht bij z'n radiotoestel, en hij slaat geen uitzending van berichten over. Er tusschen door tracteert hij zijn huisgenooten on zijn meening over den toestand, ook al z(jn ze er wellicht heelemaal niet op gesteld, en als er dan nog tijd over Is, piekert en peinst hij stil voor zich uit.... over den oorlog.

En 's nachts droomt hij van pantserslagen in Afrika, van artilleriegevechten in Rusland en van schermutselingen In het Verre Oosten

Zoo is ie, die kennis van me, en ik hoef U zijn naam niet te noemen, want heel zeker kent U ook wel dergelijke menschen. Heel misschien zelfs lijkt U er zelf ook wel wat op. Dit laatste zou zo o vreemd nog niet z(jn, en U hoeft zich er ook niet voor te geneeren, want wat kan ons heden ten dage meer beroeren dan de oorlog, die een geweldigen Invloed heeft op ons leven als persoon, als gemeenschap, als natie?

Maar toch we overdrijven dikwijls, We zijn geneigd meer aandacht aan dien oorlog te besteden dan nuttig en noodig is. Als we nagaan, hoe weinig we met èl onze overpeinzingen en èl onze discussies den loop der gebeurtenissen hebben beïnvloed, dan moet ons toch wel duidelijk worden, dat we veel kostbaren tijd hebben verknoeid. Dien tijd hadden we beter kunnen besteden door te werken, door ons te ontwikkelen, door ons meer met ons gezin te bemoeien, door. ons werkelijk te ontspannen.

Zou 't daarom niet verstandig zijn van nu af wat minder te praten en te denken over den oorlog? Gemakkelijk zal dit niet zijn, maar als we beseffen, dat 't beter is, moeten we ons zelf — en ook elkaar — er toe dwingen.

Wat U doet, weet ik niet, maar ik zeg voortaan: Laten we over w.it ènders praten!

W.

LEZER, WAT ZOUDT U DOEN?

Een Interessant journalistiek probleem

Uit de brieven, die wij geregeld van lezers ontvangen over onderwerpen, die den inhoud van ons blad betreffen, blijkt, dat in den lezerskring wel belangstelling bestaat voor journalistieke kwesties.

Dit heeft ons op 't idee gebracht, dat wellicht vele lezers zich interesseeren voor probleempjes van zuiver journalistieken aard. Daarom willen wij den lezers eens gelegenheid geven in de huid van een journalist te kruipen en hun oordeel uit te spreken over een geval dat zich kan voordoen of werkelijk heeft voorgedaan. Wij zetten U dus vandaag een journalistiek probleem voor, en vragen U: „Wat zoudt U in dit geval doen?" Om het beantwoorden van deze vraag voor iedereen aantrekkelijk te maken loven wij één prijs van vijl gulden, één prijs van een rijksdaalder en drie troostprijzen (boeken) uit, voor de antwoorden, die naar onze meening de beste zijn. Het beste antwoord zullen wij publiceeren en — als er plaats genoeg is — ook andere antwoorden. De antwoorden, die zoo beknopt mogelijk dienen te worden gehouden, kunnen per briefkaart of desnoods per brief gericht worden aan de Redactie van de Geïllustreerde Pers, Postbus 497, Amsterdam. Dit moet geschieden binnen een week na de verschijningsdatum van dit nummer, en op de adreszijde van de briefkaart of den brief wilt U wel de woorden „Journalistiek probleem" schrijven.

En nu de kwestie, die zich inderdaad heeft voorgedaan, eenige jaren geleden, en die wij U thans opdienen:

De hoofdredacteur van een blad ontving bezoek van een heer —

X genaamd — die hevig ontstemd was over een versje, dat in dit blad was verschenen. De hoofdredacteur, die 't versje had ontvangen van een los-vasten medewerker, las het na, en begreep nu pas, waarom de heer X ontstemd was, want voor allen, die de heer X kenden moest het duidelijk zijn, dat 't versje kren-

kend voor hem was, al kon men niet van een regelrechte beleediging spreken, temeer omdat de krenkende toespelingen listig verborgen waren.

De heer X eischte, dat de hoofdredacteur hem den naam van dengene, die onder schuilnaam het versje had gemaakt, zou bekend maken.

Wat moest de hoofdredacteur doen?

Ziedaar de vraag, die wij nu aan onze lezers voorzetten. Wat zoudt U doen, als U in de plaats van dien journalist was?

Piekert er eens goed over, overweeg zoo veel mogelijk kanten van het vraagstuk, en maak dan uw antwoord op. Kort en scherp gemotiveerd.

Wat doet 't er toe vroeg of laat te sterven? Honderd Jaar verprutste tijd zijn minder waard dan één welbesteed uur.

Markies de Fulry.

En hoop op vreugde is weinig minder vreugdevol dan vervulde hoop.

Shakespeare,