is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1942, no 9, 27-02-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET LICHT

Maryna Radomerska Zlftl OG^SH

Frank Nor, de eenige zoon van den president der Vereenigde Ijzergieterijen, verloofd met de wereldsche en lichtzinnige Lise David, wilde op Oudejaarsavond met een „dolle fuif" afscheid nemen van zijn vrijgezellenleven. Bij een gevaarlijke grap loste een zijner vrienden een schot op hem, waardoor Frank blind werd. Weldra bleek de blindheid ongeneeselijk te zijn. Lise verwaarloosde hem. Op voorstel van zijn papa werd voor Frank een verpleegster in dienst genomen. Korten tijd later bekenden deze jongedame en Frank elkaar hun liefde. Een huwelijksaanzoek van Frank wees zij aanvankelijk echter af. Ze was bang dat hij haar slechts zoo lang zou liefhebben als hij haar niet kon zien. Dit zei zij ook aan z'n vader, die trachtte, haar tot andere gedachten te brengen. Toen vertelde zij hem haar levensgeschiedenis, en begreep hij haar weigering. Kort daarna ging zij naar Praag en keerde pas eenige dagen na den afgesproken tijd terug. Maar tóen scheen ook elke hinderpaal voor hen te zijn weggeruimd....

Op een auto-tochtje dat Luz en Frank samen maakten, gebeurde een auto-ongeluk, waarbij hij ernstig werd gewond. Luz liep slechts eenige schrammen op.

Dat dit ongeluk een goed gevolg voor Frank zou hebben, had niemand verwacht. Toen Frank 's morgens wakker werd, kende zijn blijdschap geen grenzen mcei Hij kon weer zien. Frank had, toen hij weer kon zien, geen aandacht aan Luz geschonken, waardoor Luz van meening was dat Frank niet meer van haar hield. Na een bespreking met Frank's vader vertrok zij met onbekende bestemming. Lise David, bracht Frank in het ziekenhuis een bezoek, waarbij zij ontdekte dat Frank niets meer van haar wilde weten. Zij poogde op allerlei manieren Luz zwart te maken, door te vertellen dat Luz liever met een blinde man zon trouwen dan met een die kan zien. Van haar hoorde Frank ook, dat Luz vertrokken was. Toen hij weer thuis kwam, was er een brief van Luz voor hem — maar zonder adres. Lise trachtte Frank weer terug te winnen, maar zonder succes. Op een liefdadigheidsfeest, waarvoor Lise hem had uitgenoodigd, ontving Frank eenige inlichtingen over Luz van een zekere dokter Broschik.

Hij riep Broschik nog even terug.

„Wilt U zco goed zijn, mij bij de familie Davids te verontschuldigen, dokter? Ik heb hoofdpijn gekregen en ga liever naar huis."

Brcschik putte zich even uit in belangstelling, beloofde dat hij zich van de opdracht zoo goed mogelijk zou kwijten en was innerlijk erg blij, dat zijn mededinger bij Lise van het tooneel verdween. Hij ging zelfs zoo ver, in zijn uitbundige vriendelijkheid, dat hij Frank's jas en hoed ging halen en een taxi voor liet komen. Daarna pas keerde hij naar de zaal terug en deelde de familie David mede, dat Frank Nor naar huis was cjegaan.

Frank Nor was sedert dien avond vervuld van bittere spijt en diepe teleurstelling, omdat Luz hem nooit met een enkel woord had gesproken over de reden,

waarom zij haar betrekking bij Dr. Lorenz zoo overijld had opgegeven. Hij noemde dat bij zichzelf onredelijke geheimdoenerij, die tusschen twee menschen, die elkaar liefhebben, niet door den beugel kan. Terugdenkend aan den tijd, dien hij met Luz had doorgebracht, kwam hij tot het levendige besef, dat zij hem eigenlijk nooit iets bijzonders had medegedeeld over haar verleden. Hij legde dat verkeerd uit, verbeeldde zich, dat Luz, zijn ideaal, iets te verbergen had gehad en hij verbeeldde zich ook, dat nu zijn liefde voor haar was verkoeld, dat hij niet meer naar haar terugkeer verlangde en dat hij, tenslotte, nog maar één verlangen had: de verpleegster Emma Hradil voor altijd te vergeten.

Maar: Hoe meer hij zijn best deed, haar te vergeten, hoe meer hij aan haar dacht! O, als hij toch maar had geweten, waar hij haar moest zoeken! Dan zou hij haar, zoo noodig tot aan het andere einde van de wereld, gevolgd zijn, als was het alleen maar, om haar slechts één maal te zien, slechts enkele oogenblikken haar lief gelaat te aanschouwen. Hij had dagen, waarop hij geloofde, dat Luz iets ernstigs uit haar verleden voor hem had verborgen, maar het kwam ook herhaaldelijk voor, dat hij met hardnekkigheid elke verdenking ten opzichte van haar terugwees. Luz was de allerschoonste herinnering van zijn geheele leven en die wilde hij niet verliezen. Hij hoopte eiken dag, dat Luz terug zou komen en hij kón niet begrijpen, waarom zij deze verschrikkelijke beproeving, dat vergeefsche wachten, steeds weer verlengde. En toch kon hij de hoop, dat zij nog eens tot hem zou terugkeeren, onmogelijk opgeven!

Frank deed zijn uiterste best, de kwellende onrust voor zijn vader te verbergen. De winter was aangebroken en hij bracht nu al zijn vrijen tijd thuis door. Frank had zijn schilder-liefhebberij weer opgenomen. In de behagelijk verwarmde kamer, bij het raam gezeten, schilderde hij de kale, met sneeuw bedekte boomen, de zwarte kraaien op het witte sneeuwveld of de schoorsteenen van de ijzergieterij.

De post bracht hem bijna eiken dag uitnoodigingen voor diners of danspartijen, maar die legde hij altijd lachend ter zijde. Daags voor Kerstmis trok hij, met ski's uitgerust, de bergen in. Hij wilde de drukte van de Kerstdagen, die hij vorige (aren altijd met zijn vader in groot gezelschap doorbracht, ontwijken. Tweeden Kerstdag kwam hij weer thuis, blij, dat hij den volgenden dag weer aan het werk zou kunnen gaan, — arbeid die voor hem vergetelheid beteekende.

Zoo verliep de eene dag na de andere, eentonig en gelijkmatig.

Maar dan bespeurde hij plotseling, op zekeren dag, de voorboden van de komende lente.

„Het voorjaar komt, vader!" riep hij blij uit.

In de vorige lente had hij niets van de schoonheid van de natuur kunnen zien, maar nu zou hij weer de bcomen zien bloeien en het graan zien rijpen. Een jaar was er verstreken, sedert hij, in de duisternis van zijn blindheid gehuld, steunend op Luz' arm, langs de paden en tusschen de bloembedden van den tuin had gewandeld. Frank sloot zijn oogen en deed een poging, zich den met Luz doorgebrachten tijd weder levendig voor den geest te stellen, den tijd, dien hem nog heden zoo onvergetelijk en onvergelijkelijk schoon toescheen.