is toegevoegd aan je favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1942, no 9, 27-02-1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Haar verschijning rukte Frank uit zijn droefgeestige stemming.

„Ik bof geweldig Frank, want ik had in 't geheel niet verwacht, dat ik je thuis zou treffen!" zei ze met een uitdrukking van stralende blijdschap op haar gelaat. Hij begroette haar heel vriendelijk. „Frank?" zei het meisje een oogenblik later, heel zacht en vleiend.

Hij wendde, min of meer verward door haar liefheid, het hoofd af. Wat wilde hij nu eigenlijk? Waar wachtte hij op? Waarom bleef hij hunkeren naar het onbereikbare en waarom schonk hij geen aandacht aan hetgeen hem werd aangeboden?

„Lise, wil je vanmiddag met ons lunchen?" vroeg hij plotseling, „dan kunnen wij na den middag een tochtje gaan maken in mijn sportwagen. Het is daar nu juist heerlijk weer voor!" „O, ja, Frank, dolgraag! Ik zal dadelijk even naar huis telefoneeren, dat ik niet thuis kom om te lunchen."

Frank was werkelijk blij, dat hij dien middag gezelschap zou hebben. Hij besefte wel vaag, dat hij Lise daardoor nieuwe hoop gaf, maar daar stond hij niet lang bij stil.

Johan Nor verbaasde zich innerlijk over de vrij plotselinge verzoening tusschen Lise David en Frank, maar hij zei er geen woord over. Na de lunch deed hij de jongelui uitgeleide en ging vervolgens naar zijn kamer, om zijn middagdutje te doen. Hij was nauwelijks ingesluimerd, toen er op zijn deur werd geklopt en de huishoudster hem een aangeteekenden brief bracht.

De president ergerde zich over die storing en toen hij den brief had gelezen, kon hij niet meer slapen.

Tegen zes uur kwam Frank weer thuis van zijn uitstapje met Lise. Hij had haar eerst thuis gebracht en verkeerde in een merkwaardig opgewonden stemming. Hij sprak overdreven opgewekt en levendig, lachte al te luid en zag er toch in 't geheel niet uit als een mensch, die met zichzelf en het leven tevreden is. Zijn oogen verraadden innerlijke onrust.

In den loop van den avond belde Lise nog op. Frank s vader was niet erg ingenomen met de vernieuwing van de relatie tusschen Lise en Frank en hij kon zijn houding niet goed begrijpen. Niettemin waagde hij het niet, zijn zoon iets te verwijten.

Dien avond, voordat Frank zich naar zijn eigen kamer begaf, vroeg zijn vader hem:

„Ik zou graag willen weten, Frank, of je al een definitief besluit hebt genomen in verband met je vacantie? Ben je vast van plan, in de Tatra te gaan logeeren?" Franks stem klonk zacht en min of meer schuldbewust:

„Neen, vader. Ik heb Lise vanmiddag belcofd, dat ik haar en haar moeder zou nakomen. Zij vertrekken einde van deze week naar een badplaats."

Er verscheen een sombere uitdrukking op het gezicht van den president en hij keek Frank onderzoekend aan.

„Hoor eens, Frank," zei hij verwijtend, „ik bemoei mij niet graag met je persoonlijke aangelegenheden, — maar geloof je ook niet, dat je die belofte wat erg overijld hebt gegeven?"

„Hoe zoo, vader?" vroeg de jongeman zenuwachtig.

„Wel, ik vrees, dat je door je plotseling gewijzigde houding bij Lise hoopvolle verwachtingen wekt, die hoogst waarschijnlijk toch niet in vervulling zullen gaan," zei hij langzaam. „Je kunt toch niet toelaten, dat men over jullie weer als een verloofd paar zal gaan sprekeh?" Frank lachte geprikkeld.

„En waarom niet, papa? Ik moet U verraden, dat ik het eenzame vrijgezellen^ leven moe ben en dat ik het besluit heb genomen, met Lise te trouwen."

Hij wierp met een trotsche beweging het hoofd achterover. In zijn oogen stonden duidelijk vertwijfeling en opstandigheid te lezen.

(Wordt vervolgd.)

„Of zij ooit nog zal terugkeeren?" vroeg hij zich af.

Neen, hij kon nu niet meer aan haar terugkeer gelooven. Acht maanden waren er al verloopen, sedert hij haar voor de laatste maal de hand had gedrukt, voor 't laatst haar stem had gehoord. Geen woord, geen regel schrift had hij in al dien tijd van haar ontvangen. Zij was voor goed uit zijn leven verdwenen. Dikwijls kwam de gedachte bij hem op, dat zij al met een rijken ouden man was gehuwd, zooals haar vriendin, dat zij als een rijke, in weelde badende vrouw ergens aan de Rivièra leefde, en dat zij de kleine episode met den blinden Frank Nor allang had vergeten. Maar zelfs die gedachte was niet in staat, hem alle hoop te doen opgeven!

Eén persoon was er, die hem misschien inlichtingen zou kunnen geven omtrent Luz: mevrouw Lorenz, de weduwe van den overleden professor. Hoe kwam het, dat die mogelijkheid hem nu pas inviel? Vele bittere uren van onzekerheid en afwachten zouden hem wellicht bespaard gebleven zijn, als hij daar vroeger aan had gedacht! Maar hoe moest hij het aanleggen, om zich met Frau Lorenz in verbinding te stellen? Hoe kon hij het aanleggen, een dame, die hij in 't geheel niet kende, een bezoek te brengen en haar inlichtingen te vragen over een verpleegster, die bij haar overleden man in dienst was geweest!

„Neen, dat is onmogelijk!" zei hij in zichzelf. Alleen als hij toevallig aan mevrouw Lorenz zou worden voorgesteld, als hij gelegenheid kreeg, nader met haar kennis te maken en haar vertrouwen te winnen, zou het mogelijk zijn, haar over Luz te spreken.

Maar die gelegenheid zou hij kunnen zoeken, kunnen scheppen. Ja, dat zou een oplossing zijn!

Deze gedachte hield hem eenige dagen bezig en hij kwam op het idee, Dr. Broschik te verzoeken, hem met Frau Lorenz in kennis te brengen. Bij nadere overweging voelde hij er echter toch heel weinig voor, den dokter in de zaak te betrekken en daarom stelde hij de uitvoering van zijn plan van dag tot dag uit. Intusschen was het Juni geworden. Het was volop zomer en heet weer. Meer dan ooit verlangde Frank naar de bergen, de bosschen en velden, de heerlijke natuur. Lise David dacht en sprak nu over niets anders meer dan badplaatsen en had het zeer druk met inkoopen doen voor haar rcis-uitrusting.

„Ga met ons mee, Frank," vroeg zij hem elke keer, als het haar gelukte, hem te ontmoeten. Dat was niet dikwijls het geval, want Frank ontweek haar altijd nog zooveel als hij maar kon.

Lachend gaf hij ten antwoord: „Wat valt U in, Lise? Ik... en een badplaats. Ik ben vcornemens tien dagen in de bergen door te brengen; ik zal alles in 't werk stellen, om geen sterveling te ontmoeten. Ik ga baden in bergbeekjes en ik wil volop van mijn rust genieten. Neen, ik zou heusch niet weten, wat ik in een badplaats moest beginnen."

Op een Zondag reed hij heel vroeg met zijn sportwagen uit, om een geheelen dag buiten door te brengen. Zoolang hij aan het stuUr zat, voelde hij zich heel prettig, maar toen hij door de stille bosschen dwaalde, overviel hem een gevoel van kwellende eenzaamheid.

„Wat doe ik hier eigenlijk?" vroeg hij zich zelf wrevelig af en zonder zich lang te bedenken keerde hij pm en ging, langs den kortsten weg terug naar het buitencafé, waar hij zijn wagen had geparkeerd. Hij was vóór den middag al weer thuis en het trof hem, dat hij zich verheugde, de huishoudster en de andere leden van het personeel weer te zien. „Ik kan niet tegen eenzaamheid," dacht hij. „Ik heb behoefte aan gezelschap, aan omgang met menschen!"

Heel kort daarna kwam Lise op bezoek, zonder dat zij er het flauwste vermoeden van had, dat zij op een voor haar doel zoo bi] uitstek gunstig oogenblik kwam. Een man, die zich eenzaam voelt, wordt door een knap en bekoorlijk meisje gemakkelijk ingepalmd!