is toegevoegd aan je favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1949, no 1, 25-09-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wij staan er beter voor dan na de eerste wereldoorlog." Is de mening van de Nederlandse huisvrouw.

Een vreemd vergelijk — maar na de eerste wereldoorlog heerste er in Nederland grote nood en men was er min of meer op voorbereid dezelfde toestanden als van na 1918 nog eens tebeleven.

„Toen de oorlog pas was afgelopen," vertelde ons een jonge vrouw die inmiddels al acht jaren is getrouwd, „wist ik gewoon niet, hoe ik m'n kinderen genoeg te eten moest geven. Nu ben ik blij, wanneer ze honger hebben, want het ontbreekt ons aan niets meer. Behalve vlees, kaas, vetten cacao, koffie en tabak is alles van de bon. In de restaurants zijn geen andere beperkingen meer dan twee vleesloze dagen per week. Maar de prijzen stijgen onrustbarend, hoewel ze altijd nog lager zijn dan na 1918. Heus, het ;aat ons beter, dan we hadden verwacht!"

Wanneer men thans terugblikt naar de dagen vlak na de bevrijding kan men slechts verwonderd zijn over een zo snelle ontwikkelingsgang van het Nederlands herstel. Alhoewel iedere huisvrouw door de prijsstijgingen de grootste moeite heeft de eindjes aan elkaar te knopen, realiseert zij zich duidelijk, dat deze een onontkoombaar gevolg waren van het opheffen van de subsidies op levensmiddelen, die met het oog op een samengaan met de andere Beneluxlander niet langer door de regering konden worden gedragen. Bovendien werd een toeslag gegeven op inkomens beneden de 3700 gulden en alhoewel deze in de practijk niet toereikend blijkt, geeft zij toch blijk van 'n begrip van onze reegring voor de moeilijkheden. Alleen zuchten wij allen nog onder het huizenprobleem. Als hiervoor de Marshallpenningen nog eens een oplossing zouden kunnen brengen."

„We moeten ieder dubbeltje tienmaal omkeren," zegt de vrouw van eta Bernse ambtenaar, /

Hoewel steeds wordt verondersteld, dat de economische toestand in Zwitserland veel beter is dan in de rest van Europa en dat Zwitserland een soort paradijs is, waar honing en melk rijkelijk vloeien, willen wij hier eens het woord geven aan een dikwij's benijde ambtenaarsvrouw, van wie in Zwitserland zélf wordt gedacht, dat het haar aan niets ontbreekt. Maar de werkelijkheid klinkt toch wel een beetje anders. „Wi;i, Zwitserse huisvrouwen, moeten op het ogenblik meer dan ooit rekenen. Bij ons staat het financiële probleem op de voorgrond. De beperkingen, die we ons in de oorlog hebben moeten opleggen waren slechts gering. We hadden grote voorraden en de levensmiddelenvoorziening functionneerde goed. De rantsoenen waren vooral ruimschoots voldoende wanneer een gezin uit verschillende personen bestond.

Maar -toch is het ook voor ons wel eens moeilijk geweest met de bonnetjes uit te komen. Vaak moesten we groenten in het mandje van de marktvrouw laten liggen omdat we eenvoudig geen vet, spek of boter hidden om ze mee te bereiden. Ons probleem was de „Fettlücke", zoals dat werd genoemd. Een zwarte markt, waaronder ook werd verstaan het ontvangen van pakjes van vrienden die op het platteland woonden, kenden we practisch niet. Maar de financiën speelden ir. die jaren lang niet zo'n grote rol als op het ogenblik, nu het ons aan niets meer ontbreekt en alle artikelen in talloze soorten en kwaliteiten te krijgen zijn. Ik ben alleen bang dat men in hei buitenland niet vermoedt, dat Zwitserland niet slechts voor vreemdelingen, maar ook voor de Zwitsers zélf een heel duur land is."

„We staan er nu veel slechter voor dan in de oorlog!'' vindt de Deense vrouw, en zij zucht eens.

Hoe is dat nu mogelijk in dat land van boter en melk? „Moreel voelen wij ons veel beter," zei een Kopenhaagse huismoeder. „Het is voor ons een hele opluchting geen vreemde soldaten meer te zien als we boodschappen gaan doen. Materieel zijn we er sedert het einde van de oorlog echter geweldig op achteruitgegaan. Pas na de vrede werden verschillende levensmiddelen gedistribueerd. In de drie jaren, die zijn verlopen sedert het einde van de oorlog, zijn onze vleesrantsoenen steeds kleiner geworden en kort geleden zijn ze nog eens ingekrompen. Ja zeker, we hebben genoeg te eten, maar we hebben^de grootste moeite wat afwisseling in de maaltijden te brengen. Het enige, dat distributievrij is en dat werkelijk in alle soorten is te krijgen, is vis. Maar vis, vis en nog eens vis? Fruit en groenten die zo belangrijk zijn, zijn er maar weinig en bovendien stijgen de prijzen hiervan iedere maand weer. Wij produceren grote hoeveelheden boter, maar toch krijgen we maar 250 gram per maand per persoon toegewezen. De rest wordt uitgevoerd. En dit is niet alleen zo met boter alles, wat we aan levensmiddelen kunnen verkopen, gaat naar het buitenland, want we hebben deviezen nodig om grondstoffen en artikelen, die we zelf niet kunnen fabriceren, te importeren. In zekere zin zijn wij nog het slachtoffer van de oorlog.

Maar we hebben één troost: het is niet de schuld van onze regering, dat we er zo voor staan, Daarom zijn we geduldig en nemen de toestand zoals ze is."

,,Jammer genoeg kunnen we het nog steeds niet zonder de zwarte markt stellen," bekent een vrouw uit de Westelijke zones.

Sedert de geldzuivering gaat het in de drie Westelijke bezettingszones van Duitsland veel beter. Er worden genoeg artikelen aangevoerd en de grootste moeilijkheid is nu nog het kopen van textiel of schoenen. Alleen voor de overheidsinstellingen staan de mensen nog in de rij, maar overigens behoort het verschijnsel van de „Schlange" ook weer tot het verleden. Wie geld genceg heeft, kan gerantsoeneerde artikelen zonder bon kopen. De meesten staan er echter financieel niet zo best voor. hetgeen vooral zijn oorzaak vindt in het feit, dat men er zonder een weinig te profiteren van de zwarte markt, niet komt.

er een weinig te profiteren van Hoewel men wat voedsel betreft nog lang niet op het vooroorlogse peil staat, bedragen de toewijzingen per maand per persoon toch al weer 20 pond brood, 6 ons vet, 4 ons vlees, 1 pond suiker en 125 gram kaas. Een ei.'kele maal zijn er ook eieren te krijgen, maar deze zijn erg duur — ongeveer vijftig tot zestig Pfennig per stuk (ongeveer 45 cent). Daartegenover staat echter, dat aardappelen, groenten en fruit vrij zijn. „Maar wc moesten er nog wat bij kunnen kopen," besluit de Duitse huisvrouw haar relaas. „Alleen — niemand heeft meer geld." 23