is toegevoegd aan je favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1949, no 2, 15-01-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De sleutel

Door Ans van Breda

Een huwelijk tot stand brengen is heel wat moeilijker dan een boek schrijven, vooral wanneer de misverstanden zich aaneen rijgen !

¥ ff ET is de eerste keer, dat ik # ƒ een huwelijk tot stand tracht £ 1 te brengen. En het is ook de eerste keer, dat ik een boek probeer te schrijven. En noch het een noch het ander valt mee. Het gemakkelijkst is nog het boek. Maar tenslotte zijn het ook mijn eigen jachtavonturen uit de Congo. die ik vertel. En Daniëlle schrijft alles op, tikt het netjes uit en maakt er tevens behoorlijk Frans van. Want Daniëlle is een litterair ontwikkeld meisje. Haar vader was de schoolmeester van het kleine plaatsje in de Ardennen, waar ik mijn tenten heb opgeslagen en schreef tevens gedichten voor de plaatselijke krant. Helaas heeft geen van beide bezigheden zoveel opgebracht, dat hij zijn enige dochter iets kon nalaten zodat Daniëlle, mijn „weesmeisje" zoals ik haar schertsend noem, haar schrale boterham met tikken en „lichte administratie" moet verdienen.

Ja, ik heb het netjes georganiseerd. Daniëlle verbetert mijn stijl en Roger mijn schetsen. Want' een boek over jachtavonturen dient van illustraties voorzien te zijn. De lezer wil natuurlijk de slang zien, die in mijn moskitonet kronkelde en de leeuw, aan wiens bloeddorstige loopbaan ik door een welgemikt schot een einde maakte. En mijn eigen schetsen zijn even onbeholpen als mijn stijl. Maar Roger, de jonge, talentvolle kunstenaar, weet er heel wat van te maken. Verbazend, hoe hij met één, twee pennestreken mijn onnozele leeuwen zo weet te veranderen, dat ik er nog achteraf bang voor wordt. Het boek is heus geen probleem. Daniëlle en Roger zullen er wel voor zorgen, dat het een succes wordt. Alleen over de titel kunnen we het niet eens worden. Ik wil het „De sleutel" noemen. „De sleutel tot het oerwoud" of ,.De sleutel tot het zwarte werelddeel " of iets dergelijks. Daniëlle vindt de titel niet pakkend genoeg. Ze wil mijn boek „Van leeuwen. slangen en zwarte mensen" noemen, terwijl Roger „Met buks en potlood" voorstelt. Ik ben bang, dat Daniëlle het op de lange duur wint, ik heb nu eenmaal een zwak voor Daniëlle.

Een huwelijk tot stand brengen is heel wat moeilijker dan een bestseller schrijven. Jullie snappen natuurlijk allang wie ik me tot slachtoffer heb gekozen: ik wil Daniëlle met Roger laten trouwen. Daniëlle, dat degelijke, bescheiden meisje, dat uit louter degelijkheid en bescheidenheid vast geen man vindt als ik niet een handje help. En Roger, de goede, verlegen jongen, die bij al zijn begaafdheid zo bleu is, dat hij nauwelijks een woord durft uiten als Daniëlle net bij me is. Ze passen bij elkaar, ze ziji als geknipt voor elkaar. En ik ben overtuigd dat ze van elkaar houden, al weten ze dat waarschijnlijk zelf nog niet. Maar ik, met de rijpe ervaring van 20 tropische jaren, zal hun dat wel aan het verstand brengen. Heb ik niet al heel andere karweitjes opgeknapt? Ik zoek naar een handige en tactvolle

inleiding. Ik ben met Daniëlle alleen, ik ben meestal met haar alleen, want Roger komt alleen af en toe om het een of ander met mij te bespreken. Ik heb haar net een griezelig avontuur verteld, hoe ik voor de zoveelste keer aan een gruwelijke dood ontsnapt ben. En Daniëlle, terwijl haar vlugge vingers over het papier glijden, heeft met gepaste „O's" en „Ah's" blijk van haar medeleven gegeven.

„Daniëlle," zeg ik plotseling, ,dit alles had ik niet hoeven mee te maken als ik in mijn jeugd netjes was gaan trouwen, zoals het hoort." Daniëlle kijkt even vluchtig van het papier op, maar dan slaat ze dadelijk weer de ogen neer. Ze geeft geen antwoord. ,,Ja, Daniëlle," ga ik voort en slaak een diepe zucht, „er zou me veel bespaard gebleven zijn, als ik in mijn jeugd een meisje had leren kennen, zoals jij. Een degelijk, charmant meisje. . een schat van een kind ..." Deze keer kijkt Daniëlle niet op, krampachtig staart ze op haar blocnote. Maar een allerliefst blosje verschijnt op haar wangen. En ze zwijgt natuurlijk in alle talen. Ik besluit een beetje duidelijker te worden. „Daniëlle," zeg ik ernstig, „dit is geen werk voor je. Een bekoorlijk meisje als jij is niet geschapen om alléén door het leven te gaan. In gedachten zie ik je al met twee schattige kindertjes. ." Ik stok even, ik voel, dat ik bepaald te ver ga. ,.Eh, ik bedoel. .. je moet beslist trouwen, Daniëlle," besluit ik „Mais monsieur " fluistert Daniëlle bedeesd en haar hand, die krampachtig het potlood vasthoudt, begint te beven.

Ik vind het genoeg voor een eerste keer. Je moet dergelijke dingen niet overhaast. „En juist toen de leeuw op de gazel wilde springen.ga ik zakelijk met mijn verhaal door. „Springen....," herhaalt Daniëlle

automatisch „toen kraakte mijn

schot!" besluit ik triomfantelijk. Ik werk natuurlijk aan beide kanten tegelijk, 's Avonds als Roger met de tekeningen bij me is, begin ik over Daniëlle te praten. „Wat is Daniëlle een schat van een meisje," zeg ik opgetogen. „Zo degelijk, zo bescheiden, en wat is ze toch mooi."

,,Ja meneer," mompelt Roger en het klinkt verlegen.

„Wat een grote bruine kijkertjes., en dat zacht golvende haar., heb je wel eens opgemerkt, dat er een gouden glans op dat haar ligt?" Ik word bepaald geestdriftig, tenslotte meen ik elk woord, dat ik zeg. Roger zegt deze keer niets.*Hij kijkt me even aan, met een vlugge, onderzoekende blik. Dan houdt hij zich weer met de tekeningen bezig. „Hoe vindt u dit, monsieur?" vraagt hij „of vindt u het te gewaagd? Maar ik geloof dat ze in de Congo allemaal zo lopen.. . ."

Als oude jager ben ik gewend recht op het doel af te gaan. En na deze korte en niet voor misverstand vatbare inleiding moet het natuurlijk tot daden komen. Heeft niet eens een beroemd schrijver gezegd, dat 90 pCt. van de liefde de gelegenheid

is? Of althans iets in die geest. En waar hebben twee jonge mensen in dit oerburgerlijke plaatsje nu ooit gelegenheid eens bij elkaar te komen, zonder dat er dadelijk kletspraatjes ontstaan?

Ik vraag dus Daniëlle, of ze 's avonds wil komen, om een spannend hoofdstuk van ,,De sleutel" af te maken. Ze knikt verlegen en krijgt prompt een kleur Maar tenslotte zit er niets achter, ik kon immers best haar vader zijn. De clou is natuurlijk — maar dat zeg ik haar wijselijk niet — dat ook Roger op deze avond bij me zal komen. En dan.... maar dat zullen we wel zien.

Daniëlle, precies op tijd als altijd, is er het eerst. Ik heb voor een fles wijn gezorgd en wat sandwiches; als je je mensen wilt laten overwerken, moet je er tenslotte ook iets voor doen. Ze ignoreert overigens mijn voorbereidingen. Zonder me aan te kijken en zonder veel meer dan een stijf „goeden avond" neemt ze blocnote en potlood. „Ja, meneer....," zegt ze zakelijk, als ik niet dadelijk begin. „Kom. kom, Daniëlle," lach ik gemoedelijk, zo'n haast is er niet bij. Maak het je gemakkelijk meisje., een glas wijn brengt de stemming er in ..." Ik druk het blozende meisje in mijn gemakkelijke stoel. Met geweld, als het ware, want ze schijnt het bepaald ongepast te vinden. Op dat ogenblik gaat de deur open en Roger komt de kamer binnen. „Pardon," zegt hij koeltjes, als hij mij over Daniëlle gebogen ziet en wil zich meteen weer terugtrekken.

„Kom binnen, Roger," roep ik hartelijk. Hij is de deur al weer uit, ik moet hem achternalopen en met geweld weer terughalen. Wat is hij toch een verlegen jongen. Heerlijk gewoon! En zo'n brave jongen zou je niet moeten helpen? O — ik za! hem helpen, reken er maar op! We drinken wijn en we eten broodjes, maar het gesprek wil niet recht vlotten. Wat een schattig verlegen stelletje toch Maar wacht, ik weet er wel raad op. „Jullie excuseren me wel," zeg ik tamelijk abrupt, ,.ik ben dadelijk weer terug." En ik laat het paartje alleen.

Ik ben natuurlijk niet dadelijk weer terug, dat begrijpen jullie wel. Ik ga luidruchtig de trap naar beneden af en sluip op m'n tenen weer terug. Gespannen luister is aan de deur. Het is misschien niet netjes van mij en een beetje kinderachtig, maar. och, iets moet je er toch van hebben, als je een verliefd stel op de goede weg helpt.

Maar ik hoor niets, hoegenaamd niets. Geen stom woord, geen gefluister, geen geritsel. Ik wacht en wacht, totdat het me begint te vervelen. Dan doe ik plotseling de deur open. „Ziezo, daar ben ik weer!" zeg ik opgewekt. Ik heb een flauwe hoop. ze in eikaars armen te vinden — in mijn gemakkelijke stoel bijvoorbeeld — en verheug me er al op, hun mijn vaderlijke zegen te geven; maar mis poes. Ze zitten nog net zo als toen ik ze verlaten heb, stijf en zwijgend en zo verlegen

als twee kinderen bij Sint Nicolaas. Ik snap er niets van. Als huwelijks-makelaar ben ik geen succes....

Misschien durft Roger haar niet te vragen, omdat hij arm is en zij ook geen rode centj^eeft. Het materiële kun je in dit ondermaanse nu eenmaal niet uitschakelen. Ik besluit, een beetje voorzienigheid te spelen, ik heb geld genoeg in de Congo verdiend.

„Roger," zeg ik de volgende dag tot mijn bruigom-in-spé. „als Daniëlle eens gaat trouwen, betaal ik natuurlijk de huwelijksuitzet. Ik weet, dat het arme ding niet veel heeft en.... enfin, je begrijpt me wel." „Ik begrijp u, meneer," zegt hij stijfjes en verder geen stom woord. Ook die vlieger gaat niet op. Roger doet helemaal niets. Hij groet Daniëlle nauwelijks, ik krijg de indruk. dat hij haar uit de weg gaat. En Daniëlle? Och. ze riecm„ amper notitie van hem. Schattig, gewoon, deze bedeesdheid van zo'n verliefd stelletje....

Ik besluit, spijkers met koppen te slaan. Het moet eenvoudig! Je bent in de Congo geweest of je bent het niet. Bij zóveel verliefde schuchterheid kan slechts een paardemiddel helpen.

Op een uur gaans van ons plaatsje, in de eenzaamheid van onmetelijke bossen, is een berg. die ze de Engelenberg noemen. Waarom mag Joost weten. Er staat een oude toren bovenop, vanwaar je een schitterend uitzicht over de omgeving hebt. Hij is op slot, maar je kunt bij de plaatselijke vereniging voor vreemdelingenvèrkeer de sleutel krijgen. Overigens is Roger penningmeester van die vereniging, maar hem vraag ik natuurlijk niet; hij zou lont kunnen ruiken. Ik haal de sleutel rechtstreeks van de voorzitter.

En ik nodig Daniëlle en Roger voor een uitstapje uil op een warme namiddag. zonder het doel van de tocht te noemen. Ze hebben beiden niet veel zin. maar ik zeg, dat we over mijn boek moeten spreken en dat de natuur me inspireert en.... enfin, ik dwing hen als het ware. Ik heb alles goed voorbereid. Ik heb broodjes mee en b'ikjes en een thermosfles met warme koffie, ik kan mijn huwelijkscandidaten toch niet de hele nacht honger laten lijden. Ik zorg ervoor, dat we tegen zonsondergang bij de toren zijn „Ik heb de sleutel." zeg ik tamelijk onhandig, ,,je moet van boven af een schitterend uitzicht hebben!" En ik maak de deur van de toren open en niets vermoedend, volgen ze me de steile wenteltrap op naar boven. Er zijn geen ramen in de toren, behalve boven en daar is het zo hoog boven de begane grond, dat je onmogelijk naür beneden kunt klimmen. Nee, er is geen uitweg a's de deur eenmaal gesloten is. En hier in de eenzaamheid kun je roepen, zoveel je wilt, daar hoort vast niemand je. Nee, ik heb alles goed overlegd, er kan geen speld tussen We bewonderen het uitzicht, ik zet het pakje met levensmiddelen in een hoek neer. Kn dan komt het grote moment. Ik kijk op m'n horloge.

„Goeie genade." roep ik verschrikt, „ik moet om acht uur bij de Maire zijn! Maar haasten juUie je niet, jullie vinden de weg wel alleen!" Zonder op hun protesten acht te slaan, hol ik de trap af naar beneden. Ik sluit de deur van de toren en gooi de sleutel in het gras. Ik kan achteraf zeggen, dat spelende kinderen het gedaan hebben of — als ze wat gemerkt hebben — dat ik 't uit verstrooidheid heb gedaan. En dan ren ik weg. zo vlug mijn benen mij willen dragen. Ze hebben niets gemerkt.

(Vervolg op pag. 20)