is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1949, no 3, 22-01-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DUITSE TROEPEN VECHTEN IN RUSLAND, DOCH EENSGEZIND KEERT DE BEVOLKING ZICH TEGEN DE VREEMDE INDRINGER, EIGEN LEED TIJDELIJK VERGETEND.

In de eerste dagen na haar ontsnapping aan de rode terreur, terwijl zij dodelijk ziek op haar bed in het New Yorkse Roosevelt ziekenhuis lag, trok haar opgejaagde leven als een film in een nachtmerrie, aan Mevrouw Kosenkina's geestesoog voorbij.

Terwijl de barbaren uit Berlijn op het eeuwenoude hart van Rusland aanrukten, ontwaakte in haar moedig vrouwenhart een gevoel dat nóg groter was dan haar afschuw voor de barbaarse politiemacht in haar eigen land. Het is het gevoel dat in het hart van iedere rechtgeaarde Rus, ook onder de grootste verdrukking, leven blijft: de liefde voor het eigen land. Met de sluwheid hun methoden eigen, exploiteerden de

Sovjets dit edele gevoel, voor het minderwaardige oogmerk een weerloos volk nog vaster in de brute greep van hun onderdrukking te krijgen. Zo is het te verklaren, dat op het beslissende moment, toen het land in nood was, alle Russen zich eensgezind tegen de vijand van over de grenzen keerde.

Het leven in Moskou, toen de Nazihorden de stad dreigden te omsingelen, de vlucht uit de stad en de verschroeide aarde, die de vluchtende Russen in opdracht van de Sovjets achter zich moesten laten, van dit alles verhaalt Mevrouw Kosenkina ons hier in de eenvoudige taal van een onderwijzeres, die als een nietig deeltje in de machtige oorlogsmachine van haar land moest meedraaien.

Be (lammen vin de oorlog laaien wild op. Over de wegen naar Moskou trekt een eenzame figuur. Kosenkina vlucht voor de karkaren.

Van onze school en ook uit de dorpen waren alle gezonde mannen naar het front gestuurd. Toen de Duitse overweldigers dichterbij kwamen en de Communistische autoriteiten in Oostelijke richtingen vluchtten, ging ik eens naar Bielov, de voorzitter van onze Sovjet, en verzocht hem permissie en zijn medewerking om ons waardevol museum en de uitgebreide bibliotheek te evacueren. Maar in een uitbarsting van woede snauwde hij me toe: ,,Val mij daar alsjeblieft niet mee lastig! Dat is het werk van Moskou!"

Het was midden October. Alle wegen naar Moskou zaten vol terugtrekkende troepen. De eenvoudige burgers. die hun haat jegens het Communistische regime jaren lang hadden onderdrukt, weigerden hun huizen en boerderijen te verlaten. Velen van hen hechtten een niet geringe waarde aan de door de Duitsers uitgestrooide en in het Russisch opgestelde pamfletten, waarin stond dat de Nazi's het volk kwamen bevrijden

Plotseling ging het gerucht, dat de naburige stad Mozhaisk in brand stond en dat de vijand op het punt stond er binnen te trekken.

Oleg, die bevel had gekregen zich nu definitief voor militaire dienst te melden, kwam uit Moskou om afscheid van me te nemen.

Mijn zoon ging dus in militaire dienst, toen Moskou groot gevaar liep door de vijand te worden overweldigd. Het waren dagen, waarin

woonsters van het landgoed, Ossipova, was er nog steeds, maar ze was helemaal grijs geworden. Ze vertelde me, dat het Rode Leger na mijn vertrek het grote instituut had bezet en het daarna in brand had gestoken, volgens de door Stalin toegepaste politiek der verschroeide aarde.

Van anderen, die de bezetting hadden overleefd, hoorde ik afschuwelijke verhalen over door de Duitsers begane wreedheden. De achterblijvenden waren uitgemoord, mishandeld en beroofd door de Duitse „bevrijders", zoals zelfs de zozeer gehate Communisten nog nooit hadden gedaan.

Enige tijd na mijn bezoek aan Tuchkovo ontmoette ik een kolonel, die nadat ik'hem had verteld, dat ik daar geweest was onverschillig opmerkte: „U zegt dat u in Tuchkovo gewoond heeft? Ja, in dat gebouw heb ik zelf de brand nog gestoken. Een kostelijke verzameling boeken had u daar."

Dit alles kon ik echter op de ochtend van de 15e October 1941 onmogelijk voorzien. Op deze dag ging ik om drie uur 's nachts met vijf collega's op weg naar Moskou. We droegen elk een klein bundeltje lijfgoed. De reeds winterse hemel dreunde van de vliegtuigen en volgens de laatste berichten had de vijand, die vlak achter ons zat, Moskou reeds aan drie kanten omsingeld.

Om zes uur ging ons groepje uiteen en drie van ons staken de Moskwa

de genegenheid voor het oude Rusland oplaaide in veler harten, ondanks de diep gewortelde haat jegens het Sovjet regime. De Communistische propagandisten maakten van deze opleving van vaderlandsliefde een dankbaar gebruik. Ook Oleg verlangde ernaar zijn land te helpen verdedigen. Ik hoopte echter dat hij eerst een behoorlijke opleiding in het Rode Leger zou krijgen.

„Mamochka, hoe kan ik weten waar je heen zult gaan?" vroeg hij mij bij het afscheid.

..Dat weet ik niet — evenmin als ik zal weten waar jij bent!" riep ik uit. maar we spraken af, dat ik zou trachten naar Gorki, het vroegere Nitschi-Novgorod te komen, waar een van mijn zusters woonde; via haar zouden we contact met elkaar houden.

Tot het laatste ogenblik bleef ik bij de school. De Duitsers waren toen al binnen schootsafstand en de geruchten, dat Moskou zou worden ontruimd, namen steeds vastere vorm aan. Ik kon de gedachte, dat deze prachtige instelling in handen

der Duitsers zou vallen, niet verdragen, voor welke sentimentaliteit ik door de laatst vertrekkende Communistische autoriteiten streng werd berispt. „Sluit u liever aan bij de Partisanen," iuidde hun afscheidswoord, hoewel ik nog nooit een geweer in handen had gehad. Het hoofd van een naburig dorpssovjet trachtte me over te halen te blijven en de komst van de vijand af te wachten. „Waarom gaat u

weg?" informeerde hij. „Waar ü bent blijven de moffen niet." Deze boer had zelfs het regeringsbevel om het vee het binnenland in te drijven niet opgevolgd; inplaats daarvan had hij de dieren laten ontsnappen.

Ik kwam eerst drie jaar later in Tuchkovo terug en ontdekte toen tot mijn verdriet niets dan puinhopen op de plaats waar eens de school had gestaan. Het schitterende landhuis met de bibliotheek en het museum, was evenals alle andere gebouwen tot aan de grond toe afgebrand. Slechts een vleugel van het stenen gebouw stond nog overeind. Een van de vroegere be-