is toegevoegd aan je favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1949, no 7, 19-02-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sSjgTsjfol

Terreur is een huiveringwekkende macht, die niet aan de grenzen van een politiestaat ophoudt. Dit heeft Oksane Kosenkina ondervonden terwijl zij leefde onder de vrije hemel van het democratische Amerika. Zij leefde temidden van een volk, dat de donkere schaduwen die haar dagelijks achtervolgden alleen uit de detective films kende.

Steeds smartelijker werd voor haar het besef dat zij ook temidden van de onbekommerde wereld de gevangene bleef van haar communistische landgenoten. Overal volgden haar de schaduwen van de NKVD. En naar mate het duidelijker werd, dat zij er persoonlijke meningen op na hield, werd de controle verscherpt. Op alle

mogelijke manieren poogde men haar in de val te laten lopen. Het landgoed, dat op Long Island bij New York als vacantieoord voor Russische ambtenaren en hun families was ingericht en waar Kosenkina als kindermeisje werd aangesteld, was een klein Rusland, hermetisch van de buitenwereld afgesloten. Treurig waren de toestanden op zedelijk gebied en Kosenkina schaamde zich dat zij deel uitmaakte van een dergelijke kolonie.

Zij voelde zich eenzamer dan ooit en de gedachte, dat om haar heen een wereld was waar gelukkige mensen zonder vrees tesamen leefden deed haar dagelijks verlangen naar de bevrijding van haar eigen landgenoten.

HET kleine Sovjet Amerika, waarin ik leefde, werd in zijn verschillende phasen weerspiegeld op de „Glen Cove" op Long Island.

„Glen Cove" was een groot buiten en was vroeger het eigendom geweest van J. P. Morgan, de bekende bankier. Kort voor mijn aankomst in de Verenigde Staten was het aangekocht als rustoord voor Russische onderdanen in buitenlandse diplomatieke dienst, maar reeds binnen drie maanden vond de Amerikaanse pers in dit ontspanningsoord een bron van vernederend nieuws, dat door geheel Amerika werd verspreid. De buren van de „Glen Cove" maakten namelijk een schandaal over het treurige gedrag van de "bezoekers aan hun stranden tijdens welke periode ik toevallig op „Glen Cove" was. Hoewel ik pas in midden Juni in New York aankwam, had ik tot mijn verbazing gemerkt, dat wegens een groot tekort aan leerkrachten de lopende cursus op de diplomatieke school, die toendertijd 100 leerlingen had, nog niet was beeindigd. De eindexamens waren vastgesteld op 15 Juli en zouden worden gevolgd door overgangsexamens voor een klasse van zes H.B.S.leerlingen.

Einde Juli hoorde ik tot m'n plezier, dat een groep onderwijzers naar de „Glen Cove" zou gaan, waar de kinderen van Sovjet-ambtenaren reeds enige tijd kampeerden. Ik verheugde me er buitengewoon op omdat ik hoopte daar buiten de Amerikaanse flora en het leven der insecten te kunnen bestuderen.

Maar zodra we op het grote landgoed warer gearriveerd werden we door de leidster van het kinderkamp begroet met de woorden: ..U zult

het toezicht krijgen over een groep kleine meisjes".

„Zijn hier dan geen kindermeisjes?", vroeg ik verbaasd.

Het antwoord luidde ontkennend en ik protesteerde, dat ik lerares in natuurlijke historie was en dat ik van plan was geweest een verzameling planten en insecten aan te leggen. „Nee, daar komt niets van in!" antwoordde de leidster. „We moeten op heel wat van die peuters passen en daarvoor bent u tenslotte hierheen gebracht." De kamer, die ik met een collega moest delen, zou ideaal geweest zijn voor een rustkuur. Helaas sloot hij aan bij twee zalen, waarin 14 kleine meisjes sliepen. Dit waren „onze" zalen en we moesten voor de kinderen verpleegsters en kamermeisjes tegelijk zijn; we moesten hun haar wassen en hun badkamers opdweilen. De moeders van deze kinderen profiteerden van ganser harte van hun vacantie. Ze vermaakten zich uitstekend op het strand, waar de Sovjetautoriteiten nog een huis hadden gehuurd om iedereen te kunnen herbergen. Een keer heb ik deze vrouwen gezegd, wat ik van hen dacht. „Jullie luierende aristocraten — jullie moesten je schamen om de onderwijzeressen voor kinderjuffrouwen te laten spelen!"

Men had ons bevolen op de bij het huis behorende gronden te blijven, die echter zeer uitgestrekt waren. „Het is beter u niet buiten de omheining te begeven!" was ons gezegd, hetgeen onmogelijk verkeerd kon worden uitgelegd. Maar wat ik in die grote tuin zag, vernederde me diep. De bekende bloementuin verkeerde in een hevige staat van verwaarlozing, de moestuin was niet bespoten en gewied. Overal slingerde zich dt

wilde wingerd en waar ik ook liep, vond ik lege flessen, dozen en kartonnetjes. De grond was werkelijk bezaaid met afval en verslagen vroeg ik me af, hoe onze regering mensen naar het buitenland had kunnen sturen, die zo slordig waren en zo weinig gevoel voor orde hadden. En waarom lieten onze voornaamste diplomaten, zoals b.v. Gromyko, die hier ook hun weekends doorbrachten, een dergelijke schande toe? Het duurde niet lang of de Amerikaanse pers ontdekte de treurige stand van zaken binnen ons domein. Buren klaagden over de verontreiniging van het water in de omgeving en over het naaktzwemmen.

Een van mijn collega's, een dikke vrouw, kwam op zekere dag opgewonden naar me toe. Ze was op het strand geweest en een paar Amerikaanse fotografen hadden haar gesnapt. „Je zult zien, dat ik morgen in alle kranten sta!" snoefde ze. Zij had gelijk, maar meteen raakte zij haar baan in Amerika kwijt en werd binnen een paar dagen naar Rusland teruggestuurd. Een publiek schandaaltje is iets, wat de zonderlinge Sovjetaristocratie niet kan hebben. Ook de president van de Amtorg werd om het incident teruggeroepen. In ons kleine Sovjet-Rusland was er niet voldoende hulp om op de kinderen te passen of de tuin te verzorgen. Maar aan spionnen was geen gebrek.

Toen ik eens stiekum met een collega in een dorpswinkel boodschappen ging doen, keek ze schichtig om zich heen en maande me tot spoed aan. Ook op het landgoed zelf, wanneer ik me op een feestavondje liet excuseren omdat ik aan m'n plantenverzameling wilde werken waren er steeds jonge communisten in de buurt.