is toegevoegd aan je favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1949, no 7, 19-02-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar hoe de communisten ook steeds op hup qui vive waren voor ongeoorloofde uitdrukkingen en handelingen van anderen, op de regelmatig voorkomende diefstallen werd weinig aandacht geslagen. Reeds bij mijn aankomst op „G!en Cove" had men mij aangeraden niet meer dan een paar dollars op zak te houden. Onze kamers konden niet op slot en iedere dag was er weer ruzie: dan werd er een horloge vermist, dan weer geld. Iedereen verdacht iedereen. Ik verzette me tegen onze positie, want op de leraren werd neergekeken als op een groep minderwaardigen.

Op school had ik zwaar met diefstal te kampen en in mjjn klas werd er zoveel gestolen uit mantelzakken en beursjes, dat ik tenslotte besioot het kwaad uit te roeien. Verschillende leerlingen, die zich nogal aan me hadden gehecht, deden mee aan het door mij ontworpen plan om de dief te snappen; een van de jongens verborg zich tijdens het speelkwartier achter de schoorsteenmantel. De dief verscheen inderdaad en werd op heterdaad betrapt. Het was de dochter van een hoge Amtorg-beambte.

Dit vormde het begin van een actie tegen mij. De vader van de kleine dievegge dreigde me met een afschuwelijke straf. Hij ging van het standpunt uit, dal ik alleen maar was aangenomen om de kinderen in een bepaald vak les te geven en toen ik uitlegde, dat ik ook de morele opvoeding als een deel van myn taak beschouwde, barstte hy uit: „Sinds wanneer denken onderwijzeressen tevens als rechters te moeten optreden?"

Na dit voorval werd ik door de communisten in de Sovjet kolonie doodverklaard. Ik werd als een paria behandeld en ik voelde me eenzamer dan ooit.

Gedurende het tweede jaar van mijn verblijf in de Verenigde Staten nam de boycot van mijn persoontje steeds meer het karakter aan van een goed georganiseerd kat-en-muisspelletje. Mijn onafhankelijke geest, welke onder meer tot uiting kwam in het niet meedoen aan het vleien van de hoge ambtenaren èn de wijze waarpp ik van tijd tot tijd Amerikaanse manieren en zaken verdedigde, maakte het mij steeds moeilijker. Tot op deze dag begrijp ik nog niet, waarom ik niet al in het begin van 1947 naar Rusland werd teruggestuurd — "of het moest een gevolg zijn van de lof, die mevrouw Gromyko en generaal Vassiliev van de militaire missie, me toezwaaiden over mijn werk. Van beiden had ik namelijk kinderen in de klas.

Men poogde zo hardnekkig om me in de val te laten lopen, dat men zelfs allerlei kostbaarheden op mijn pad liet slingeren of met opzet verloor, in de hoop dat ik ze, in echt communistische stijl, zou stelen.

Onveranderlijk bracht ik het gevondene echter terug en beklaagde me bij de directeur van onze school over deze verachtelijke tactiek. Maar hij volstond met een onverschillig schouderophalen en alles ging op dezelfde voet verder. Ik verzamelde patronen van japonnen en gedroogde planten. Dit alles borg ik zorgvuldig op, maar nu en dan werd mijn verzameling finaal overhoop gehaald door een mysterieus iemand, die blijkbaar in al mijn laden had gerommeld zonder de moeite te nemen de inhoud weer netjes op te ruimen. Wanneer ik hierover mijn beklag bij de directeur indiende.

liet hij doorschemeren, dat dit het werk van de geheime Amerikaanse politie was. Een andere aanvalsvorm in de tegen mij opgezette zenuwoorlog was het stellen van de vraag. „Waarom schrijft u toch nooit naar huis?"

Om niet al te erg te worden lastig gevallen, schreef ik dan maar weer eens een brief, die ik geopend liet rondslingeren. Ik wist, dat hij zou worden gelezen. maar dacht: „Goed zo — laat die idioten er maar pret over maken".

In de zomer van 1947 kreeg ik twee weken vacantie; ik vroeg vice-consul Sorokin verlof naar de Niagara watervallen te mogen gaan. Het gebeurde immers niet, dat een Russische onderwijzeres zonder toestemming van hogerhand zo maar eens een reisje ging ondernemen?

Het leek anders logisch genoeg dat een lerares in de natuurlijke historie graag een der wereldwonderen wilde aanschouwen.

Toch stelde Sorokin voor dat een van mijn collega's, een zekere Nikonova, mee zou gaan.

Ze was wel erg aardig, maar ze was communiste. Toch was het voorstel Efannemelijk en ik vroeg: „Wanneer kunnen we

vertrekken?" „Morgen", antwoordde Sorokin tot m'n vreugde.

De volgende dag verraste Nikonova me met de mededeling, dat ook Valentine Orlova, een van de ergste feeksen van de school, zich over een dag of wat bij ons zou aansluiten. Ik had dus al twee communisten om me te bewaken. Weer werd het reisje uitgesteld, maar nu om te wachten op een al wat oudere collega uit Washington.

Eindelijk kon het kleine gezelschap toch vertrekken. Bij de Niagara-vallen, waar ik vooral belangstelling had voor het museum, lieten de twee communisten me geen ogenblik alleen. In de loop van de zeven-en-twintig maanden, dat ik als onderwijzeres aan de Sovjetschool te New York les gaf, is dit het enige reisje geweest dat ik heb mogen maken — en dan nog onder streng toezicht.

Met de komst van een speciale inspecteur uit het vaderland werd de tucht op de school strenger. De man in kwestie arriveerde met hetzelfde vliegtuig als Vishinsky, de vice-minister van buitenlandse zaken, die als zaakgelastigde van Rusland naar de vergadering der V.N. was gezonden. De inspecteur controleerde ons werk, maar ik merkte al gauw, dat hij geen onderwijzer van beroep was.

Tijdens zijn verblijf in de Russische kolonie maakte hij gebruik van alle mogelijke listen om me na schooltijd tot een gesprek uit te lokken; ik excuseerde me echter door te zeggen, dat er thuis nog stapels werk op me wachtten. Op zekere dag riep hij vertwijfeld uit: „Maar kunnen we dan nooit eens praten?" Ik legde hem uit, dat ik geen belangstelling had voor een algemeen politiek gesprek en toén hij verscheidene malen achter elkaar tegenover mij klachten uitte over bijna iedereen in de school, wist ik, dat hij een echte NKVD-man was. Het was een oud trucje om iemand met van die halve verdachtmakingen in de val te lokken.

Ongetwijfeld was hij in het bezit van talloze rapporten over mij. In een van de lagere klassen hadden we het eens over persvrijheid en ik had als mijn mening te kennen gegeven, dat een artist — een dichter of schrijver — absoluut vrij moest zijn, daar hij geen schoenmaker was, die alleen maar wat stoffelijke zaken heeft te maken. De volgende dag reeds moest ik op het consulaat komen, waar men een rapport over mijn gezegde had ontvangen. Ik kreeg een strenge berisping over mijn afdwaling van het communistische materialisme volgens het ware Lenin-Stalin programma en besloot daarna mijn mond te houden

Het zou best velt-Hospital raam van het een lieve tante van u of van ons kunnen zijn — deze vrouw, die glimlachend in haar bed in het Roosete New York ligt. In feite is het Mevrouw Oksana Kosenkina, de Russische onderwijzeres, die uit het Russische consulaat sprong om haar vrijheid te herwinnen.

wanneer in de klas het gesprek op een polemisch geschilpunt kwam. Maar toch verhinderde me dit alles niet mijn plaaggeesten met gelijke munt te betalen, wanneer ze telkens maar weer lamenteerden over de slechte kwaliteit van de Amerikaanse goederen vergeleken bij de Russische. Mijn hospes bijvoorbeeld, Porojniakov, hield maar niet op de Russische suiker te roemen. „Ze is veel harder en zoeter," herhaalde hij tot vervelens toe.

„Maar u hebt geen klap verstand van chemie!" viel ik tenslotte uit. „Het zijn twee totaal verschillende suikersoorten. De Amerikaanse wordt gewonnen uit riet en de onze uit bieten." Wanneer zijn vrouw de Amerikaanse producten afkamde, schepte ik er genoegen in, de Amerikaanse vindingrijkheid op te hemelen. „Neem nu eens een kinderwagen," zei ik eens tegen haar „Is het niet handig van die Amerikanen daar een riempje in te bevestigen, zodat de baby er niet uit kan vallen?" Zoya, die moeder was van een klein meisje, had deze riem verwijderd, zodat de wagen in niets meer verschilde van een Russische. „Het idee om je kind als een hondje aan een riem vast te binden," hoonde ze.

Niet lang na dit gesprek ging ik eens met haar op Broadway schoenen kopen. We namen de baby mee in de kinderwagen, maar zonder riem. Terwijl wij in de winkel aan het schoenen passen waren, was er buiten plotseling een oploopje. Het bleek, dat de kleine Olechka uit de wagen op het betonnen trottoir was gevallen; onmiddellijk had zich een hele kring om het huilende meisje gevormd. Nadat Zoya het kind had gesust en weer in de wagen had gezet, had ik het laatste woord: „Ik heb je wel gezegd, dat die Amerikanen handig zijn!"

Maar Zoya, een van mijn hardnekkigste NKVDschaduwen, wreekte zich. Korte tijd later daagde ze me uit, door het anti-communistische te New York verschijnende dagblad voor me uit te spreiden en me hardop een artikel over de toestand van de Russischë D.P.'s in Duitsland voor te lezen. Het wond me zo op, dat ik in de val vloog. „Vertel me maar eens," riep ik uit, „waar je Molotov en Vishinsky zaten toen milli oenen Russen werden omgebracht zonder enige vorm van proces, zonder de kans te krijgen zich te verdedigen of om gratie te vragen? Is het een wonder, dat die honderdduizenden Sovjetburgers en soldaten liever D.P.'s blijven dan dat ze naar Rusland teruggaan?" Deze uitbarsting van woede was voor de autoriteiten de traditionele druppel, die de emmer deed overlopen.

(Wordt vervolgd.)