is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1949, no 10, 12-03-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem dadelijk. Ze bleef doodstil zitten en keek onder haar oogharen door naar hem. Ze bewonderde de manier, waarop hij zijn grijze pak wist te dragen en de nonchalance van zijn hoed.

Hij ging achter drie anderen in de rij staan en ze bad dat de man aan het loket met zijn haren zou wachten tot hij aan de beurt was. Ze monsterde de andere drie met bezorgde blikken; met een schrik, die haar overrompelde, kwam voor het eerst de gedachte in haar op dat P. Pinkerton tenslotte toch net zo goed die gezette, welvarende heer kon blijken te zijn; of die derde, die magere, die had ook wel kans natuurlijk.

Ze zat te beven en ze vroeg zieh af of je een hart kunt horen bonzen. De rij schoof op. Gelukkig, de dikke niet. Ze wriemelde zenuwachtig met haar vingers, terwijl de volgende geholpen werd en wegging. De derde had ook maar eventjes werk en de lange jongeman stond aan het loket.

Marie-Louise boog zich voorover. Ze zei tegen zichzelf dat het nonsens was om zo nerveus te zijn, maar dat hielp natuurlijk niet. Ze zag dat hij een stapeltje brieven kreeg. Hij nam ze in zijn hand en draaide zich om. De man achter het loket zocht Marie-Louise's blik, zijn hand ging naar z'n haar: hij streek er door.

Wat Marie-Louise had behoren te doen was: opspringen en Peter Pinkerton narennen. Wat ze deed was: met bonzend hart vóór zich kijken, heel kleintjes op haar bank. Ze voelde zich raar zwak, ze had niet gedacht dat de zekerheid haar zoveel vreugde zou geven. De man in het loket stak zijn hoofd door de opening en gaapte haar aan. „Héla," zei hij, „daar gaat-ie."

Dat bracht haar tot bezinning: ze vloog op, rende de deur uit en haalde hem nog op de trappen in. Ze had zich iets indrukwekkends voorgesteld, maar op de trap struikelde ze over haar hoge hakken en wat volgde was ongetwijfeld indrukwekkend genoeg. Ze stommelde naar beneden, greep zich aan zijn arm vast en toen ze samen op de onderste trede zaten was het pas afgelopen.

Ze wreef haar enkel.

„We — we vielen," legde ze uit. „O, was dèt het," zei hij. Toen zag hij haar glimlach. Hij sprong overeind en bukte zich naar haar hand. Hij trok haar op en bekeek haar. „Heb ik u pijn gedaan? Ik heb geen slag van vallen, denk ik."

Ze lachte. „Het is in orde. 't Was mijn schuld, ziet u, ik...." Ze hield op en opende de vijandelijkheden. „Zeg, u bent Peter Pinkerton!" „Ja, hoe weet u dat?" zei hij, verrast. En toen scheen hij zich te bedenken. „Dat wil zeggen," begon hij, ,.ik "

Marie-Louise stak een vinger op. „Ontken 't maar niet. Ik wist dat u Peter Pinkerton was." Hij ontdekte hoe rood haar lippen waren en keek er aandachtig naar. „Hoe — wist u dat?" vroeg hij verstrooid.

„Omdat iemand door zijn haar streek," zei ze.

„O ja," zei hij ernstig, „dat is natuurlijk een teken." Maar hij keek verbijsterd. Ze voelde dat ze verder moest uitleggen.

„Ik wist 't omdat " Toen bloosde

ze een beetje, want je kunt iemand moeilijk gaan vertellen dat je je hele leven van hem gedroomd hebt. „Nu?"

„Ik ben 't vergeten." Ze bukte zich vlug en pikte een paar brieven op die hij had laten vallen. Ze stopte ze in zijn hand en herinnerde zich meteen wat ze wou.

„Vindt u het niet vervelend om die allemaal te lezen?" Ze wees op het pakje enveloppen.

Hij grinnikte jongensachtig.

„Ik ben helemaal niet van plan ze te lezen," verklaarde hij. „Marie-Louise keek hem verrukt aan. „O, maar dat is prachtig!" Ze wees op de plaats waar ongeveer haar maag moest zitten. „Hier, i k kan typen, stenograferen, en. .. en alles en zo," zei ze triomfantelijk.

De prins stond te bedenken wat voor kleur haar ogen hadden. Hij daclrt bruin, maar soms waren ze donkerder, bij zwart af. Dat was belangwekkend.

„Typen?" zei hij verstrooid. Lichtbruin waren ze.

Ze knikte heftig.

„En.... en stenograferen?" Ze knikte weer. Hij ontdekte nu iets als stofjes goud in het bruin. „Dat is prachtig," mompelde P. Pinkerton. Hij bedoelde het goud. Marie-Louise keek hem dankbaar aan. Maar ze was niet helemaal voldaan. Ze begreep het al: hij hield van directe methodes.

„Ik wil," zei ze, „uw secretaresse wel worden," en ze liet haar glimlach op hem los.

„Heus?" stamelde P. Pinkerton. Ze knikte grootmoedig. Het drong tot hem door. „Daar moeten we beslist over praten," zei hij. Hij keek om zich heen. „Hebt u honger?" „Nee "

„Jammer, ik had gedacht dat u misschien wel met me wou gaan theedrinken, met koekjes en zo meer." „Wacht even," zei Marie-Louise vlug, „nu herinner ik het me weer. Ik heb, geloof ik, tóch honger." Hij stopte haar in een taxi en kwam naast haar zitten. „Carlton," zei hij tegen de chauffeur en daar stapten ze uit. Ze gingen in de Onyx-zaal en hij vond een tafeltje in eén hoek. Er was een band, en de juiste stemming. Marie-Louise keek om zich heen. „Net als in „Vlammende Harten", hè?" zei ze verrukt. „U weet wel, als Vanda Goudal en Ramon Romanof elkaar voor het eerst ontmoeten."

„Vrienden van u?" vroeg hij. Ze lachte verwonderd. „Uit Vlammende Harten," zei ze nog eens. Hij schudde het hoofd. „Nooit van gehoord. Vlammende wat?" ..Harten," zei Marie-Louise. „Uw laatste boek toch!"

Hij keek een beetje nerveus rond. „Ach, natuurlijk," zei hij, „ja, nu herinner ik 't me beslist heel goed. Hoe zei u, „Vlammende Harten?" Natuurlijk. Een goed boek, best boek."

„Zo vrolijk," zei Marie-Louise. „Opgewekt," prees hij. „Grappig...."

„Hoor 's," zei P. Pinkerton, „kwam er ook niet in voor dat die man het meisje 's avonds mee uit eten nam?" Marie-Louise dacht na.

„Ik geloof van wel."

„En daarna een schouwburg?" Ze knikte stralend.

P. Pinkerton bestudeerde voorzichtig haar ogen. „Gebeurde er niet iets in de taxi naar huis ?" informeerde hij.

Marie-Louise prikte in haar taartje.

„Hij-e-hij Maar dat weet u zelf

toch?"

„Ik schrijf zovéél. Vertel het me alsjeblieft "

„Wel, hij — nou, hij kuste haar." „Zo, en hoe vond ze dat....?" Marie-Louise zuchtte. „Verrukkelijk," fluisterde ze, naar hem opkijkend.

„Prachtig," zei P. Pinkerton, „dan gaan we." Hij hielp haar in haar mantel en bracht haar vervolgens naar een goed, rustig restaurant en naar het „Alhambra" waar ze zich amuseerden. En ze namen ook een taxi naar huis en — wel, in ieder geval werd Marie-Louise de volgende morgen wakker met een gevoel of ze zingen moest.

Ze zong. Ze poetste haar tanden, en zong; ze trok een vrolijke jurk over haar hoofd, en zong. Ze borstelde haar haren, bekeek zich in de spiegel, en zong. De melodie was nogal onbestemd, maar de woorden waren heel duidelijk: rum-ta-tum pumpum. Toen de hospita, die zuur keek, met een kop thee binnenkwam glimlachte ze die stralend toe. „Regenweertje," bromde juffrouw Bimmel in antwoord.

„De zon schijnt," verbeterde MarieLouise, terwijl ze een hard ei onthoofdde, „de vogels zingen en de lucht is blauw. Je bloed tintelt, van je wangen tot helemaal onder in je tenen en terug. Zo is het."

..Nou, u maakt er maar wat van," zei de juffrouw. Ze liep mompelend de deur uit.

De kwestie was, dat ze niet begrijpen kon wat het betekende als Peter Pinkerton, de grote, enige, onvergelijkelijke P. P., dingen tegen je zei. Marie-Louise had met juffrouw Bimmel te doen; ze veronderstelde dat niemand ooit dingen tegen haér zei. Niet zulke tenminste. Om kwart voor tien keek ze op haar polshorloge en zag dat ze weg moest. Ze liep met haar portable langs de straten en de mensen keken haar na. Sommige stonden stil en draaiden zich om, luisterend naar het geklik van haar hooggehakte schoentjes. Ze vroegen zich af wat er met Marie-Louise aan de hand was, dat ze zo straalde. Ze liet ze kijken en luisteren en zich verwonderen; zij wisten er niets van hoe heerlijk het leven was. Ze klom een stoep op van een flatgebouw in een brede straat. Binnen las ze op een bordje: „Peter Pinkerton — derde étage". De lift interesseerde haar niet en ze beklom de trap met twee treden tegelijk. P. Pinkerton zat aan het ontbijt. „Neem 'n broodje," zei hij. Hij stond op en schoof haar in een stoel. Ze glimlachte en keek om zich heen. Het was niet de kamer van de Grote Schrijver, zoals ze zich had voorgesteld. Ze zag nergens inkt op het divankleed en er lagen geen half-beschreven vellen papier op de tafel, de stoelen en de vloer. Het zag er uit, als de vrijgezellenwoning van een heel normaal jongmens. Dat was een beetje teleurstellend. Maar Peter Pinkerton zat tegenover haar — ze kon hem, als ze wou, met de hand aanraken — en dat was genoeg. Hij praatte over alle dingen van de wereld en het was half elf toen hij zijn ontbijtboel weg ging ruimen. Ze keek toe, terwijl hij het hele blad buiten de deur zette en ze vroeg zich af wanneer ze nu begonnen.

Hij pakte haar schrijfmachine-koffertje en plantte het achter de divan. „Ziezo," zei hij, „nou gaan we maar zeilen in Loosdrecht. Of hou je meer van roeien?" Marie-Louise kneep haar ogen dicht. „M-moeten we niet werken?" waagde ze.

Hij trok een rimpel. „Werken?" zei hij. „O ja, ik weet wat je bedoelt." Hij lachte luchtig. „Mijn volgende roman speelt op het water, zie je. 't Is nogal origineel, van een jongeman en een meisje en zo. Ik zal je ervan vertellen, als je wilt?" Hij vertelde er haar van: in een boot, midden op de plassen, alleen maar de zon en het water in de buurt. Hij probeerde haar ook uit te leggen dat schrijvers soms heel andere mensen waren, dan je dacht. Teleurstellend, bepaald niets aan.... Doch Marie-Louise zei dat het gek was, maar dat ze niemand anders zou kunnen liefhebben dan een Beroemd Schrijver. Hij vroeg haar of een gewone, hardwerkende jongeman geen kansje had en MarieLouise zei nee, ze dacht van niet. Hij maakte een afspraak met haar om de volgende dag weer voor hem te komen werken. Ze gingen picniccen. En zo was het de dag daarop. Marie-Louise werd wantrouwig. „Werkt u nóóit?" zei ze bezorgd. „Werken is gezond."

„Ik bèn gezond;" zei P. Pinkerton en nam haar mee naar een hondententoonstelling. Daar kregen ze bijna een ruzietje. Marie-Louise zei dat ze geen kind was. Ze was privésecretaresse en ze wou hem helpen, terzijde staan in zijn werk. Ze wou nuttig zijn.... Hij had haar nodig. „Verbeeld je," zei ze, „dat u niet weet wat Vanda Goudal in het Derde Hoofdstuk zal doen als Ramon vijf minuten te laat onder de klok is. Dan...."

Peter slikte en trok een gezicht. „Maar ik heb.... ik ben ..." „U bent Peter Pinkerton en niemand kan me wijsmaken dat schrijvers niet werken. Als u morgen niets gaat doen, schei ik er mee uit." Ze keek over het water. Aan zijn gefronste wenkbrauwen kon je zien dat hij over dit dreigement nadacht. „Meen je het?" zei hij.

„Ik meen het."

(Vervolg op pag. 22)

MARGRIET BREIT n«- 9

is verschenen

MARGRIET BREIT

heeft steeds de leukste modellen.

In het zoeven verschenen nummer no. 9 vindt U verschillende modieuze damesjasjes en jumpers, waaronder een bijzonder mooi kantpatroon in ajour breiwerk.

Ook voor baby staan er verscheidene schattige modellen in. De grotere kinderen zijn echter niet vergeten. U zult er heel aardige modellen voor Uw zoon of dochter in aantreffen.

Alle patronen in Margriet Breit zijn zeer duidelijk beschreven en door een handwerk-experte

3 maal gecontroleerd

dit is een waarborg voor 100% breigenot.

MARGRIET BREIT

Prijs 90 cent

Verkrijgbaar in manufacturenen wolzaken en bij vele boekhandelaren.

i

SPECIALE AANBIEDING

* Abonné's van dit blad kunnen bij de bezorgers er van „MARGRIET BREIT" kopen tegen de prijs van 65 cent.