is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1949, no 19, 14-05-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GRONINGERS ALS VOLKSTUINDERS

't Is weer voorjaar en zoals in iedere lentetijd gaat de vrouw des huizes of zij wil of niet aan de schoonmaak, omdat zij daartoe door één of andere onbekende en onbeminde kracht wordt gedreven, zo krijgt menige man de drang in zich om er uit te breken, even weg uit de dagelijkse sleur, weg.... naar zijn volkstuintje. Het aantal Nederlanders dat een tuintje bezit is groot, het aantal dat geen tuintje heeft niet zo groot. Nederland staat bekend om zijn volkstuintjes. Tot ver over de grenzen. De Engelsen hebben alle achting voor het werk van onze mannen die in de volkstuintjes werken, ieder ogenblik dat zij maar vrij zijn en het weer goed is. Ook in Engeland zijn de mensen dol op dit soort tuintjes, maar deze zijn vergeleken bij de onze, maar stumpertjes! Nu is een commissie van Engelse volkstuinders op weg naar Nederland om daar eens te zien wat die Nederlanders toch op en met al die lapjes grond doen, want ze hebben er al zoveel over gehoord.

Laten we eerlijk zijn: wij hebben ook geen verstand van tuintjes en van draineren en net als de Engelsen zijn ook wij eens gaan zien wat al die Nederlanders toch op en met die lapjes grond doen. Zo hebben we in eigen land, in eigen stad een ontdekkingstocht georganiseerd, gewapend met camera en potlood en papier. En nu zijn we weer terug en we zitten op de redactie gebogen over onze schrijfmachine. Onze vingers weigeren te tikken, want we zijn met onze gedachten nog bij de volkstuintjes, achter het Stadspark in Groningen. We denken hoe heerlijk het daar is, nu de zon zo vriendelijk en uitdagend schijnt. Nee, die volkstuintjes zijn

prachtig, prachtig voor allen die in de stad wonen in min of meer nauwe straten, waar weinig zon en frisse lucht komt, maar des te meer stof.

Wat waren ze aan het werk, de tramconducteurs, de ambtenaren, de winkeliers, de melkslijters al of niet heel dapper geassisteerd door hun familie, soms goed. soms van de wal in de sloot. Hoe deskundig en hoe zelfverzekerd hebben we deze mensen horen praten over kunstmest en snoeien, over dubbele witte en bloemkool alsof ze hun gehele leven niets anders hebben gedaan dan tuinder zijn. We hebben overal maar „ja" op gezegd, want we weten nergens van, we hebben ons diep geschaamd dat we niet eens wisten dat er verschillende soorten harken waren, verschillende soorten gras en dat de ene bloem wél en de ander niet in de zon wil groeien

We hebben de levensvreugde zien stralen van de gezichten van deze mensen die iedere vrije Zaterdagmiddag en Zondag-met-mooi-weer met ongekende vreugde begroeten. En in gedachten zien we de huisvrouwen van deze ijverige tuinders al lachen als manlief thuis komt met zelf geplante bloemen voor de vaas, of met zelf geteelde groente. Nee, er is niets gezonder en beter voor lichaam en geest, dan in volkstuintjes werken. En al gaat het niet zoals U wilt, welnu, al doende leert men en ge bewijst Uzelf met dit werken in de openlucht een weldaad.

Jong geleerd is oud gedaan. Zus is wat biy als ze vader helpen mag.

Iedere Zondagmorgen hangt de voorzitter van de bond van volkstuinders, de heer Geerlings, de Groninger vlag op z'n huisje in de Piccard-hof.

In het zweet des aanschijns wordt de grond bouwrijp gemaakt

Er wordt niet alleen groente, maar er worden ook bloemen gekweekt. Het oog wil ook wat en de bloemenvaas eveneens ....