is toegevoegd aan je favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1949, no 19, 14-05-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hst hart gaat op reis

DÖOR

Ir. EDMOND NICOLAS

Toen we verleden keer onze merkwaardige lijkrede hielden bij het overlijden van Jan Peters, hebben we hoog opgegeven over de prestaties die Jan's goeie hart in de loop van zijn negentig levensjaren heeft geleverd. We hebben gesproken over hoe vaak dat hart wel geklopt had, en hoeveel bloed het had rondgepompt, maar we vonden het eigenlijk heel gewoon, dat dat hart maar geklopt had: negentig jaar lang.

Heeft U wel eens een hart zien kloppen? Het hoeft nu niet precies een mensenhart te zijn, maar een of ander hart.

Een heleboel huisvrouwen zullen bevestigend antwoorden. Wanneer men verse, dat is dus levende, vis schoonmaakt,

paling of zo, dan is het heus geen uitzondering, dat het hart nog een tijdje doorgaat met kloppen, wanneer het uit het lichaam van het dier verwijderd is. En als het dan tot stilstand komt, dan is daarvan de oorzaak, in of buiten het lichaam, dat het hart niet meer gevoed wordt, dat dus de hartspier verhongert. Voeden we een hart dat buiten het lichaam is, dan blijft het doorkloppert; bij vissen, kikvorsen en dergelijke koudbloedige dieren is dat vrij eenvoudig, bij warmbloedige dieren moeten we het niet alleen voeden, maar ook op temperatuur houden. Wanneer men bijvoorbeeld een konijn doodt, dan kan men het hart nog kloppend uit de borstholte verwijderen, en met een betrekkelijk eenvoudige apparatuur doorstromen met een voedingsvloeistof. Daar kunnen we bloed voor gebruiken, maar dat hoeft niet eens: een oplossing van verschillende zouten, met 'n beetje druivensuiker doet het ook. Zo'n hart kan namelijk enorm veel hebben. Wanneer bijvoorbeeld dat konijnenhart te koud wordt, dan houdt het op met slaan; verwarmen we het dan weer, dan begint het met frisse moed weer opnieuw. Dan gaat het, geheel automatisch zijn gang. van

Stelt U het zich maar voor: het hangt aan een buisje waaruit de voedingsstof stroomt, en regelmatig als een klok zien we eerst de boezems, de voorkamers samentrekken, en onmiddellijk daarna de beide kamers, die dikwandiger en sterker zijn dan die boezems. De boezems hoeven immers het bloed alleen maar naar de kamers te stuwen; daarbij ondervindt het bloed weinig weerstand, en de spieren in de boezemwanden zijn dan ook niet zo erg sterk. Maar de kamers moeten het bloed door de longen, en door het lichaam pompen, en daar is heel wat meer kracht voor nodig. Dat is natuurlijk een erg aardig gezicht, zo'n hart zich zo druk te zien maken voor niets, want misschien ligt het konijn waar het bij hoort al in de marinade, maar wat we ons nu gaan afvragen is, hoe die regelmaat, hoe dat automatische kloppen van dat hart tot stand komt en in stand blijft, ook als de invloeden van het lichaam zijn uitgeschakeld.

Het zou verleidelijk zijn om een roman te schrijven over de kwestie hoe men het antwoord op die vraag heeft gevonden. Dan zouden we moeten beginnen bij een meneer Cleantes ongeveer 2250 jaar geleden, en we zouden allerlei onderzoekers en wetenschapsmensen moeten noemen, want het hart heeft natuurlijk steeds de bijzondere aandacht der physiologen gehad. Maar we schrijven niet het grote vervolgverhaal voor dit blad, en dus moeten we ons beperken; we vertellen alleen maar iets van wat we weten

geheimen van ons leven

op grond van die vele onderzoekingen.

Het hart dan heeft dit met alle andere spieren gemeen, dat 't samentrekt, wanneer het geprikkeld wordt. We kunnen zo'n hart een extra slag laten maken, wanneer we het bijvoorbeeld kietelen, of prikkelen door electrische stroom. Normaal echter werkt een spier, en ook het hart dus, door prikkels die uitgaan van de zenuwen, waarmee die spier verbonden is. En door het gehele hart lopen zenuwvezels, die op een of andere manier in verbinding staan met een centrale: een zenuwknoop die bij de ingang van de rechterboezem ligt. Vandaar uit gaan periodieke prikkels: naar de spiervezels van de boezems: dan trekken die samen;

iets later arriveert de prikkel in de spiervezels van de kamers, en we zien de kamers krachtig en fors samentrekken.

Het schijnt dus dat die zenuwknoop, de knoop van Keith-Flack, de automatische bewegingen van het hart regelt. Koelen we bijvoorbeeld die knoop af, dan wordt het tempo minder, warmen we hem weer op, dan versnelt de hartslag. Doen we hetzelfde met een ander deel van het hart, bijvoorbeeld met de kamerwanden, dan blijft het tempo gelijk, maar warmte versterkt de

samentrekking, terwijl kou ze verslapt. Natuurlijk, in het lichaam komt dergelijke afkoeling niet voor: tegen de tijd dat het hart afkoelt, zijn we al lang dood. Maar bij de koudbloedige dieren, bijvoorbeeld in de winterslaap van kikkers, van schildpadden speelt dat, wel degelijk een rol. Een schildpad bijvoorbeeld, graaft zich zo diep in, dat ze net niet bevriest, maar dat het hart nog maar heel langzaam slaat: er is nog leven, maar het is minimaal. Maar het keert terug wanneer het voorjaar komt, wanneer meneer of mevrouw schildpad de invloed gaan ondervinden van het betere weer. Bij warmbloedige dieren kunnen we iets dergelijks kunstmatig verwekken. Jonge ratten bijv., hebben nog geen temperatuurregeling: ze zijn wel warmbloedig, maar ze kunnen hun temperatuur nog niet regelen. En nu is het mogelijk om zulke pasgeboren ratten sterk af te koelen, bijvoorbeeld in een koelkast. Dan merken we dat ook daar de levensverschijnselen minimaal worden, dat de hartslag heel langzaam wordt. En wanneer we die dieren gaan ontdooien, dan wordt het hart ook weer levend en snel.

Nu vraagt U zich natuurlijk af, hoe een mens zo tegen zijn eigen belang kan handelen, door jonge ratten, als ze eens in de ijskast liggen weer tot leven te wekken. Maar dat zijn zo de eigenaardigheden van de onderzoekers, die wel meer dingen doen die enigszins vreemd lijken.

Want we kennen nog veel meer aardige spelletjes met zo'n hart, maar daarover hebben we het de volgende keer.

KRUK IN HET HUISHOUDEN

Vervolg van Pag. 27.

„Nee," zei ze opstandig. „Ik voel me helemaal niet beter. Ik kan niets en verknoei alles wat ik doe, dat weet je. En je kunt het me wel zeggen óók!"

„Okay," stemde Paul toe. „Je verprutst alles en veroorzaakt de mees! verbazingwekkende huishoudelijke chaos, die ik ooit heb gezien. Dat is zo. Dat maakt je zenuwachtig en dan word je dwars en je probeert me niet te laten merken hoe nerveus en dwars je bent, maar ik merk het toch."

De tranen dreigden weer te gaan vloeien. Met een bibberig stemmetje zei ze: „Jij kunt het niet helpen. Je had zo iemand als Helen Merril moeten trouwen."

„Denk je?" Paul scheen de kwestie te overwegen.

„Iemand, die handig is en goed voor het huishouden kan zorgen."

„Mmmm " zei Paul. ,,Ik begrijp

wat je bedoelt. Ze is zo volmaakt, nietwaar?"

Jenny kreeg het gevoel alsof ze zich op een ijsberg bevond in het hartje van de winter. Helen was volmaakt, zo afschuwelijk volmaakt. „Ja, dat vind ik," zei ze kleintjes en voelde zich miserabel.

„Zo," zei Paul langzaam en knikte. Hij keek peinzend voor zich uit en vervolgde: „Arme Bob. Het is hard voor hem. Toen ik hem nog in Hartford kende was hij de levendigste jongen, die je je maar kunt voorstellen. Als je zijn mening over iets vroeg, dan wist hij je die te vertellen. Als hij iets wilde doen, dan deed hij dat. Soms maakte hij fouten, maar het waren zijn eigen fouten. Nu is hij niets anders dan de wandelende schaduw van Helen." Jenny zat rechtop. „Paul Jackson, wil je daarmee zeggen, dat Bob niet gelukkig is?"

„Heb ik dat gezegd?" vroeg Paul. „Natuurlijk is hij gelukkig. De jongen weet alleen niet, wat er met hem is gebeurd. Hij is zo aan zijn volmaakte vrouw gewend, dat hij het niet eens merkt."

Jenny keek hem een beetje wantrouwig aan.

„Paul," zei ze. „Het klinkt allemaal zo wonderlijk, maar ik geloof het nog niet erg. Je wilt me alleen maar geruststellen."

„Wel nu nog mooier," zei Paul. „Wil

je dan niet gerustgesteld worden? Luister, ik weet niet goed hoe ik 't je moet vertellen, maar het is ongeveer zo: Jij bent geen volmaakte huisvrouw, dat weten we...." Weer kreeg Jenny dat ijs-gevoel. „.. .maar je bent er niet ver van af," vervolgde Paul en grinnikte. „Als je volmaakt was, zou ik het niet eens prettig vinden. Als ik dan 's avonds thuiskwam zou ik nooit meer een chaos vinden, waarin ik orde kan scheppen, ik zou nooit meer kunnen mopperen en mij daarna heer en meester voelen. Want dat doe ik," bekende hij, „en ik vind het leuk óók. Als je zo volmaakt was, zou k je slaafse volgeling zijn en je overal op de hielen volgen, zoals Bob Helen, of rennen om je bij te houden en dat is me te inspannend." Hij schudde zijn hoofd. „Nee, merci. Een volmaakte vrouw — of zo eentje, die denkt dat ze 't is — is mij te veel. En zelfs al was dat niet zo. Ik heb liever jou met al je fouten en tekortkomingen."

Hij stond op en boog zich over haar heen.

„Goed?" vroeg hij. Zijn hand streek zacht over heur haar en dat gaf haar zekerheid en nieuw vertrouwen.

Een man wil trots op zijn vrouw zijn, dacht Jenny. Maar dat is het niet alleen. Omdat hij een man is, is er nog iets, waaraan hij dringend behoefte heeft: Hij wil ook trots op zichzelf zijn. Dat trachtte Paul haar bij te brengen met zijn praatje over volmaakte vrouwen. En waarschijnlijk was de enige volmaakte vrouw juist zij, die dat begreep, al faalde ze in alle andere dingen. Nu ze dit wist voelde ze zich niet langer klein, dom en onhandig. Kleine mislukkingen als brandgaten in stoelen, huishoudelijke wanorde en zelfs zoekgeraakte chèques hadden hun dreiging voor haar verloren. Ze zou langzamerhand leren dergelijke voorvallen te vermijden. Het zou immers veel gemakkelijker zijn, wanneer ze zich niet zo hevig inspande om alles volmaakt te krijgen. Dan zouden de dingen lang zo vaak niet mislukken.

Ze ging overeind zitten en pakte Pauls hand.

„Goed!" zei ze vol vertrouwen. „Heel goed, lieveling."

„Mijn vriend is roverhoofdman"

Vervolg van Pag. 7.

De kaasboer zei, dat wij ons nu moesten haasten als wij niet door de duisternis overvallen wilden worden. Hij versnelde zijn pas, zodat ik de grootste moeite had hem bij te houden. Mijn voeten deden pijn tengevolge van het voortdurend stoten tegen de stenen op het pad en ik vroeg mijn geleider of er nog een plaatsje voor mij was op de rug van zijn muilezel. Hij weigerde dit echter resoluut met de verklaring, dat dit levensgevaarlijk was. „Bij de minste schok kan het dier uitglijden en dan zouden jullie beiden in een afgrond terecht komen", zeide hij. Ik merkte op, dat hij op gedempte toon sprak, als was hij bang voor iets.

„Is de omgeving hier gevaarlijk, met bandieten en dergelijke?" vroeg ik hem langs mijn neus weg. Hij keek mij verstoord aan alsof ik hem iets heel ongepasts had gevraagd en vond het voorlopig niet nodig mij te antwoorden. Pas een paar honderd meter verder sprak hij: „Het is hier gevaarlijker dan U denkt en U zoudt verstandiger hebben gedaan te blijven waar U vandaan bent gekomen. Er zwerven hier lieden rond, die van roof en plundering leven".

„Wat zijn dat dan voor mensen?" vroeg ik verder zonder rekening te houden met zijn klaarblijkelijke tegenzin om over dit onderwerp te spreken.

Hij haalde de schouders op en bromde: „Ik weet het niet en ik wil het ook niet weten." Het gesprek kon hiermee als geeindigd worden beschouwd. Ik verwonderde mij over de merkwaardige mentaliteit van deze man, die eenvoudig weigerde zich te verdiepen in een gevaar dat hem bedreigde. Later zou ik beter begrijpen, dat vele bewoners van Sicilië liever niet spreken over de bandieten. Zij vrezen door de ene of door de andere partij in de strijd te worden betrokken en zij hebben slechts één verlangen: er buiten te blijven en met rust te worden gelaten.

Inmiddels was de duisternis nu volslagen geworden. Ik kon niet meer zien waar ik mijn voeten neerzette en het enige punt waarop ik mij kon richten was het silhouet van de kaaskoopman, die nu vlak voor mij liep.

Ik zorgde er angstvallig voor, dat hij niet meer dan een meter van mij vandaan raakte, want anders zou ik mij verloren hebben gevoeld, daar op het smalle bergpad met afgronden van duizelingwekkende diepten.

Maar toch zag ik plotseling nog

een silhouet en dan nog een. Tegen de grauwe massa van de avondlucht tekenden zij zich af. Zij bewogen zich, kwamen steeds dichter naar ons toe....

In de volgende aflevering zullen wq zien hoe de moedige journaliste Maria Cyliakus steeds verder doordringt in het gebied, waarover de bandiet Giuliano als een koning heerst.

Alleenrecht voor Nederland: De Geïllustreerde Pers N.V. Copyright Opera Mundi. Nadruk, ook in gedeelten, strikt verboden.