is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1949, no 20, 21-05-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MIJN VRIEND IS ROVERHOOFDMAN

IN EEN HOL IN DE NACHT

WIJ vervolgen het avontuurlijke reisverhaal van de Zweedss journalist Maria Cyliakus die het stoute stukje uithaalde de Siciliaanse bandietenleider Salvatore Giuliano in zijn hoofdkwartier op te zoeken.

In het vorig nummer werd verteld, hoe zy over een smal bergpad en onder leiding van een kaaskoopman in de richting van de stad Montelepre trok, waar zq de nodige informaties over de verblijfplaats van Giuliano hoopte te kunnen krijgen. Het tweetal werd echter door de duisternis overvallen.

III.

VOOR de eerste keer op mijn tocht schrok ik werkelijk, toen ik in het donker twee menselijke silhouetten zag oprijzen, terwijl ik in gezelschap van de kaaskoopman het smalle bergpad afdaalde. Het leken wel spookgedaanten, zo geluidloos en zo luguber kwamen zij op mij af. Ik wilde mijn begeleider door een luid geschreeuw op deze gedaanten attent maken, maar mijn stem stokte in mijn keel. Ik was niet in staat iets anders te doen dan hem aan zijn jas te trekken. Uit zijn houding kreeg ik echter de indruk, dat hij zelf ook iets gezien had. Zijn tred werd enige ogenblikken aarzelend en toen versnelde hij zijn pas, zodat ik hem bijna niet kon bijhouden. Ik hoorde hem een verwensing onderdrukken.

Even plotseling als zij waren opgerezen verdwenen intussen de silhouetten. Zij werden door de duisternis opgenomen, onhoorbaar en angstwekkend. Voortdurend keek ik nu links en rechts en trachtte de donkerte met mijn blik te doorboren, totdat mijn ogen er pijn van deden. Zo verstreken ongeveer vijf minuten. Het vreemde verschijnsel herhaalde zich niet en mijn zenuwen ontspanden zich enigszins. Ik voelde dal ik iets moest doen om mijn kalmte ook verder te herwinnen.

Op fluisterende toon vroeg ik aan mijn gids of ik een sigaret mocht opsteken.

„Bent u krankzinnig?" antwoordde hij zacht maar toch bits. „Niets is zo gevaarlijk als thans licht te maken."

Natuurlijk sprak ik hem niet tegen, maar ik schepte toch genoeg moed om hem te vragen of hij de vreemde figuren daar straks ook had gezien.

„Neen," antwoordde hij een beetje al te levendig naar mijn zin. „Dat was niets. Er is hier niemand in de buurt."

Nu herinnerde ik mij de jonge vrouw in Palermo, die mij had aangeraden niet in het donker buiten te blijven, omdat in het binnenland van Sicilië de geweren soms vanzelf af schijnen te gaan

De beklemmende stilte, waarin wij voortliepen, werd verbroken door het getingel van een kerkklokje en aan het geluid kon ik horen, dat wij er niet ver meer vandaan waren. Ik voelde mij opgelucht, want wij naderden de bewoonde wereld.

Even later voelde ik de grond onder mijn voeten glad en gelijk worden: wij hadden een grote verkeersweg bereikt en toen ik dit merkte, voelde ik mij al bijna in veiligheid. Op het voorbeeld van mijn gids zette ik mij neer op een laag muurtje langs de weg om eventjes uit te rusten van de vermoeienis en de spanning. Niet ver van ons vandaan merkte ik nu een paar twijfelachtige lichtverschijnsels op, die uit woningen afkomstig moesten zijn en zelfs passeerde ons een fietser, die een stallantaarn aan zijn stuur had hangen. De geringe afstand, die ons nog scheidde van het dorp, legden wij zonder enige stoornis af en toen wij ons in de dorpstraat bevonden, verklaarde mijn kaasboertje, dat hij hier thuis was. Hij vroeg mij of ik de nacht wilde doorbrengen bij zijn zuster; die had nog wel een kamertje voor mij beschikbaar.

Ik overlegde bij mijzelf wat ik zou doen. Het idee om in de veilige beslotenheid van dit dorp te blijven, lokte mij wel aan, maar ik had mij voor vandaag tot taak gesteld Montelepre te bereiken, Montelepre, dat ruim drie uur gaans verder lag langs de grote weg. Bovendien vertrouwde ik de kaaskoopman niet geheel. Het feit, dat zijn gezelschap mij was opgedrongen door gendarmen, deed mij vermoeden, dat hij hun verslag zou uitbrengen over mijn verblijf en mijn doen en laten. Op zichzelf stak daar van de zijde der gendarmen niets kwaads in, maar ik begreep heel goed, dat ik van hen slechts tegenwerking te verwachten had bij mijn pogingen om door te dringen tot het hoofdkwartier van de bandietenleider Giuliano.

Ik bedankte daarom de koopman vriendelijk voor zijn aanbod en zei, dat ik liever de reis wilde

voortzetten. In het donker kon ik zijn trekken niet onderscheiden, maar ik ben er zeker van, dat zijn gezicht de hoogste verbazing moet hebben uitgedrukt.

Hij was te verbouwereerd om commentaar te kunnen geven op mijn besluit. Ik riep hem een korte groet toe en verdween in de duisternis. Daar liep ik op mijn eentje door de duisternis in een Siciliaans dorpje met nog een mars van verscheidene uren vóór mij. Bang was ik niet meer; ik was al aan de vreemde geluiden en vormen van de nacht gewend.

Een vreemde melodie van kinderstemmen trof mijn oor en ik bleef er een ogenblik naar luisteren zonder dat ik er de betekenis van begreep. Pas later hoorde ik, dat in deze streek de kinderen en jonge meisjes op deze wijze gewoon zijn het vallen van de avond te begroeten.

Ik had het koud gekregen en ik trok mijn reserve pullover aan, waarna ik mij heel wat behaaglijker voelde. In de beste stemming ging ik voort over de grote weg, die naar Montelepre moest leiden. Weldra was ik buiten het dorp en in de meest volslagen eenzaamheid. Niemand kwam ik tegen, geen woning ontdekte ik. .. er was niets dan de weg met nu en dan links en rechts vage omtrekken van bergen.

Voor alle veiligheid hield ik het midden van het wegdek, maar de vrees van een half uur geleden was toch geheel van mij af gevallen.

Twee uur aan een stuk liep ik aldus door, nu en dan een deuntje fluitend en zelfs stak ik twee maal een sigaret op. Bij het opvlammen van de lucifer knalden nergens schoten, zoals mijn kennis te Palermo min of meer in het vooruitzicht had gesteld. Het zou ook al te dwaas zijn geweest; hoe kon iemand uit een lucifersvlammetje concluderen of het een vijand was, die het onnozele stokje vast hield?

Inmiddels was een maansikkel aan de hemel verschenen en ik was nu in staat iets meer van mijn omgeving te zien. Zo merkte ik plotseling een gestalte op, die uit het terrein de weg opkwam in mijn richting. Eventjes bekroop mij weer de angst die ik in het begin van de avond had doorstaan, maar hoewel ik nu helemaal alleen was voelde ik mij toch rustiger. Ik had immers geen kwade bedoelingen en bezat geen schat aan geld, die de hebzucht van de een of andere rover zou kunnen opwekken. Ik ging dan ook de gestalte een eindje tegemoet en zag, dat het een jonge kerel was, gehuld in een wollen deken. Vlak bij elkaar bleven wij staan en ik zag geen revolver op mij gericht en ik hoorde geen dreigende stem.

Ik maakte van de gelegenheid gebruik om een sigaret op te steken, zodat ik iets kon onderscheiden van de man, en natuurlijk liet ik ook hem roken.

„Kom mee," zei hij. Dat was een vreemde manier om een gesprek te beginnen, maar onder de gegeven omstandigheden had het geen zin tegen te pruttelen.

De man ging weer het terrein in en ik liep naast hem. De bodem werd nu weer ongelijk, zodat ik een paar maal struikelde. Toen greep de man mij bij de arm en geleidde mij voorzichtig verder. Blijkbaar kon hij beter in het duister zien dan ik, want ik stootte nu minder tegen stenen aan. Nu eens was de bodem vlak, dan weer moesten we klauteren of afdalen, maar de volkomen verlatenheid van het landschap bleef dezelfde.

Een kwartier waren wij aldus voortgegaan, toen wij voor een soort uitgeholde rotswand kwamen. „Buk U en ga hier binnen," sprak mijn gids. Meteen streek hij een lucifer aan, zodat ik kon zien wat hij eigenlijk bedoelde. Ik merkte een laag gat op, waar ik alleen binnen kon gaan door mij diep te bukken.

Niet wetend wat mij te wachten stond nam ik een duik in het gat en toen ik aldus in een hol terecht kwam stootte ik meteen tegen iemand

. ..zag ik in de verte een man met een kar en een muilezel aankomen....

aan. De ruimte werd verlicht door een flauw petroleumlampje, zodat ik kon zien waar ik mij bevond Het hol was enkele meters in het vierkant groot en de man tegen wie ik was opgelopen, bleek de enige aanwezige te zijn. Hij was eveneens in een wollen deken gehuld, de dracht van schaapherders op Sicilië.

Het bleek nu spoedig, dat mijn beide gastheren inderdaad herders waren. Eerlijk gezegd speet mij dit een ogenblik, want aanvankelijk had ik de illusie gehad in een echt rovershol terecht te zijn gekomen.

De vriendelijkheid, die beide mannen aan de dag legden, hielp mij echter al gauw over mijn teleurstelling heen. Zij wierpen wat droge dennenaalden op een smeulend vuurtje en haalden een stuk brood voor mij te voorschijn. Toen zetten zij een kruik fris water voor mij neer en ik liet mij dit eenvoudige maal goed smaken.

Het spreekt vanzelf, dat ik eerst moest vertellen, wie ik was, waar ik vandaan kwam, enfin, de lezer kent dit ritueel nu wel langzamerhand. Van hun kant vertelden de mannen mij, dat zij in de omgeving hun kudde hoedden en de jonge man, die mij naar het hol had geleid, legde uit, dat hij dit had gedaan omdat hij het onbehoorlijk vond een vrouw zo laat en zo eenzaam op de weg te laten zwerven.

Het waren hartelijke en eenvoudige lieden, die echter weinig wisten te vertellen. Zij rolden zich in hun deken en gingen slapen zonder zich verder om mij te bekommeren. Ik legde een paar schapenvachten, die ik in het hol vond, onder en boven mij en volgde hun voorbeeld.

Toen ik ontwaakte scheen het daglicht helder de opening van de grot binnen. Een der herders had een kop koffie voor mij klaar en samen met een homp brood vormde deze een heerlijk ontbijt.

Een sigaret was de enige beloning die de herders voor hun gastvrijheid wilden accepteren en met een brede armzwaai namen zij afscheid van mij. na -mij gewezen te hebben hoe ik de grote weg weer kon bereiken om mijn tocht naar Montelepre te vervolgen.

Het was weer een mooie, zonnige dag en ik verkeerde in de beste stemming, nu ik het eerste doel van mijn reis tot op enkele kilometers was genaderd.

Aan een kromming van de weg merkte ik een bron op, die uit de rots opborrelde en ik zette mij er een ogenblik neer om wat te rusten en een slok te drinken. Terwijl ik daar zat, zag ik in de verte een man met een kar en muilezel aankomen. Ik hield hem voor een boer, op weg naar een dorp of stad om zijn waren af te leveren. Hij hield stil bij de bron en liet zijn ezel, drinken, maar hij nam van mij niet de minste notitie. Hij zette zich neer naast zijn ezel en stak een pruim achter zien kiezen.

Na een minuut of tien waagde ik de opmerking, dat het mooi weer was, maar hij antwoordde tamelijk onverschillig, dat het om deze tijd van het jaar zelden of nooit regende.

Ik informeerde vervolgens naar zijn gezin, maar dit onderwerp .vermocht al evenmin hem spraakzaam te maken. Ik kreeg er slechts uit, dat hij ongeveer 400 lire per dag verdiende en dat alleen reeds een kilo brood 120 lire kostte.

Met de beste wil ter wereld kon ik deze vreemde man niet op zijn praatstoel krijgen.

Juist was ik opgestaan om mijn weg te vervolgen, toen er een oude vrachtauto kwam aanrammelen, blijkbaar op weg naar Montelepre.

(Vervolg op pag. 18)