is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1927, 01-12-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om mij ook daar te laten trappen.... wat was mij eigenlijk nog aan het leven gelegen? En toen kwam er een duivelsche gedachte in mij op : mijn eigen leven wilde ik vernietigen en tegelijk allen die mij de hoop op een beter leven hadden ontstolen, medenemen in het kille graf ! Een beter leven dat beteekende voor mij: Eke! Haar had ik op mijn manier hartstochtelijk lief, en ik was er Zeker van, dat zij alleen mij kon maken tot een beter mensch. Nu moest alles maar uit zijn, maar dan ook werkelijk alles! In mijn blinden haat tegen het eiland en de bewoners dacht ik er niet aan, dat ook Eke daarbij hoorde !

„Uit een schuur bij de kroeg greep ik een spade en toen ging ik naar den dijk. De storm wierp mij bijna onderstboven, maar dat ontnuchterde mij niet: in hem Zag ik thans een bondgenoot!

„Bij de plek waar ge mij gevonden hebt, struikelde ik en viel. In het donker kon ik wel niet veel zien, maar ik voelde de scheur, die vanaf de landzijde naar de zee toeliep. O zoo, dacht ik, kan de zee het alleen af, dan des te beter. Nog slechts twee voet — ruim zestig centimeter ! Plotseling hoorde ik in de scheur een zacht, klagend gejank ; ik greep in de richting vanwaar dat geluid kwam en hield een klein hondje in mijn handen. Het beestje likte mij de handen.

„Eke wist het wel goed ik heb altijd veel van dieren gehouden. Bij die liefkoozing van het stomme dier overviel mij een eigenaardig, week gevoel, en eensklaps zag ik in den geest een tooneeltje dat ik reeds lang vergeten waande. Een vrouw hield mij op haar schoot en liet mij paardje rijden ; telkens kuste zij mij, maar keek mij tegelijk met o zoo droevigen blik aan. De oogen van die vrouw — mijn moeder — heb ik kort geleden wéér gezien, alleen hadden ze toen niet zoo'n droevige uitdrukking. Ach ja, Eke, dacht ik. En daar lag ik nu op de natte klei, van zins om een geheel eiland met al zijn bewoners te vernietigen !

„Hoe lang ik zoo met open oogen heb liggen droomen, weet ik niet. Plotseling hoorde ik naast mij een gorgelend geluid en toen een paar keer geklots, alsof eenige kluiten aarde in het water vielen. Geen halve minuut later was de scheur naar de kant van de zee doorgebroken, en ongeloof elijk snel was ze door het water veel dieper gemaakt.

„Alles wat nog goed was in mij, verzette zich op dat oogênblik tegen de afschuwelijke daad die ik wilde begaan, en ik kreeg een hevigen afschuw van mijzelf. Weer zag ik de oogen van mijn moeder en die van Eke. „Moordenaar 1" riepen zij mij toe. En „Moordenaar!!" schenen de storm en de zee met oorverdoovend geweld te herhalen. Het was alsof de natuurelementen zelf hunne verontwaardiging wilden uitschreeuwen over de misdaad, die een menschenkind op het punt stond te begaan.

SCHAAPHERDER OP DE HEIDE BIJ NIJVERDAL

WINTER TE ROTTERDAM

ENSCHEDE - BRUGGETJE IN HET VOLKSPARK

„Als een bliksemflits zoo snel ging het door mijn hoofd: „je kunt nog boete doen, en misschien ook nog wel alles redden wat je wilde vernietigen" en op hetzelfde oogênblik sprong ik in de scheur, met beide handen de klei om mij heen woelend.

„Toen overviel mij de doodsangst. Als een wild dier beukte de zee tegen mijn lichaam — gelukkig voor het eiland, want daardoor werd ik als een prop tegen de kleiwand gedrukt. Lang duurde de angst niet, want de ijzige kou van het water haalde het bloed uit mijn hersens. Opnieuw zag ik de oogen.... nu met een vriendelijke uitdrukking, en een onuitsprekelijk aangenaam gevoel kwam over mij, alsof ik in een

heerlijk warm bed lag

hetgeen dan ook werkelijk, later, het geval was!"

Eke had zijn hand gegrepen en drukte die hartelijk. Meinert Onken kauwde op zijn knevel alsof hij de haren eruit wilde bijten. Hilko ging voort:

„Toen ik wakker werd, moest ik maar steeds aan die vreeselijke daad denken, waarmee ik een half uur lang had rondgeloopen. Ik verafschuwde mezelf en had toch den moed niet, de waarheid te zeggen, ik was bang, dat Eke's oogen opnieuw „Moordenaar !" zouden roepen. En omdat ik het niet durfde zeggen en al dien lof maar toeliet, verachtte ik mezelf nog meer. Zóó gemakkelijk wordt men van een slecht mensch geen goed, dacht ik. Er was maar één middel: werken, werken en nog eens werken. Zooveel kracht had ik nog wel, dat ik het besluit kon nemen om weg te gaan — want hier zou ik een kerel van niets gebleven zijn, ook al hadden jelui mij vergiffenis geschonken. Zelf moest ik mijn eigen l§ven veranderen, alleen daardoor kon ik de achting voor mijzelf terugwinnen, die iemand noodig heeft om een goed leven te leiden.

„Ik geloof dat niemand ooit ongelukkiger is geweest dan ik, toen ik voelde dat ik lam was. Dat was de zwaarste beproeving! Ze ging gelukkig voorbij. Later heb ik hard gewerkt: in Bremen en Hamburg hielp ik bij het lossen en laden der schepen, elke cent die ik niet absoluut noodig had, bewaarde ik om onderwijs te kunnen betalen. Want ik moest veel leeren ! En ik wilde iets worden — en het is gelukt, al heeft het ook groote moeite gekost.

„En nu de vraag, die ik wilde stellen r

Met een warmen kus — de eerste ! — sloot Eke hem den mond.

Meinert Onken zag het

niet, want de tranen

stonden hem in de oogen.

„Die drommelsche muggen hier !*' mopperde hij, met de hand door zijn oogen wrijvend.

Muggen.... in Maart ?

W. v. Y.