is toegevoegd aan uw favorieten.

Het Noorden in woord en beeld, 1929, 15-12-1929

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het ging mijnheer Schnabel niet erg naar zijn zin. Eigenlijk was dat ook niet erg te verwonderen, want de goede man had 4 dochters die den bedenkelijken leeftijd van 30 jaren reeds hadden overschreden of er reeds gevaarlijk dicht bij waren, zonder dat tot dusverre de jongelui uit het stadje hunner inwoning veel neiging toonden om meneer Schnabel tot schoonpapa te promoveeren.

Dat was wel de voornaamste reden waarom het mijnheer Schnabel niet naar zijn zin ging. Hij had al heel wat moeite gedaan om een of meer van zijn lieftallige dochteren „aan den man" te brengen, doch tot dusverre steeds met negatief resultaat.

Zuchtend liet hij zich in zijn leunstoel neer en greep naar het plaatselijk dagblad, om te pogen zijn neerslachtige gedachten door de lectuur van zijn lijfblad te vergeten. Hij kon er echter zijn gedachten

maar niet goed bijhouden en telkens dwaalden ze weer af naar 't moeilijke probleem. Verstrooid sloeg hij de_ bladen van zijn krant om, tot plotseling zijn hart sneller begon te slaan en hij op een zeker bericht in de courant staarde of hij er doorheen wilde kijken.

Het behelsde de korte médedeeling dat de volgende week door de „Vriendenkring" een bal zou worden gegeven in het gebouw van de Vereeniging.

„Eindelijk weer eens een kans" riep hij verheugd uit, om er dan echter, weer pessimistisch wordend, bij te voegen, „maar 't zal natuurlijk ook wel weer op niets uitdraaien." Maar enfin, geprobeerd moest het in ieder geval worden. „Wie weet of ten slotte toch niet eindelijk de fortuin eens gunstig wil zijn."

Hij besloot dus, om met twee van zijn spruiten het bal te bezoeken en ging er direct op uit, om zich kaarten te verschaffen. „Twee maar " zal men misschien denken. Ja, zeker, twee maar, en dat had een,

of liever twee zeer goede redenen. Eerstens vond hij het tactvoller om met niet. meer dan twee te komen, omdat het verschijnen met alle vier hem later beslist weer heel wat stekelige opmerkingen op de „soos" zou opleveren en ten tweede omdat de vier schoonen te zamen over slechts twee avondtoiletten beschikten. Het was wel niet gemakkelijk om met de jongedames uit te maken wie dan de twee gelukkigen zouden zijn, doch tenslotte maakte papa Schnabel een eind aan het gekibbel, door vast te stellen dat het lot moest beslissen. Aldus geschiedde en het lot wilde dat de 31-jarige Melanie en haar twee jaar jongere zuster Liesbeth het voorrecht zouden hebben om op den bewusten avond de harten van de jongelingschap van H... op de proef te stellen.

De voorbereidingen voor de groote gebeurtenis werden natuurlijk met den grootsten ijver en met pijnlijke zorg getroffen.

Hoe er in de kamer van de beide jonkvrouwen werd gewerkt en gezwoegd om hare aantrekkelijkheid op de meest effectvolle wijze tot uiting te doen komen, zal wel nooit openbaar worden; alleen de oude keukenmeid, die een echte babbelkous was, deelde onder het zegel van volstrekte geheimhouding aan haar boezemvriendin mede, dat er heele doozen met allerlei zalfjes en poeder mee gemoeid geweest waren.

Hoe dit echter ook zij, zeker is het dat de beide dames Schnabel straalden van liefelijke schoonheid toen zij zich aan papa vertoonden, gereed om met hem naar de balzaal te rijden.

De anders zoo bleeke, ietwat vale gezichten glansden thans in een zacht-rose schijn, de diepzwarte wenkbrauwen vormden een aantrekkelijk contrast met het sneeuw-witte voorhoofd en de kersroode lipjes zouden een dichter in vervoering hebben gebracht.

In één woord, het was merkwaardig hoe plotseling de beide jongedöchters zich tot bepaalde schoonheden hadden ontwikkeld.

Mijnheer Schnabel's hart zwol van trots. Op weg naar de balzaal gaf hij zijn dochters nog eenige nuttige wenken. Op discrete wijze konden zij een eventueelen huwelijks-candidaat wel bijbrengen, dat papa zijn schaapjes op het droge had en zijn dochters niet met leeg.e handen zou laten vertrekken als zij het ouderlijk huis zouden verlaten om in het huwelijksbootje te stappen. Vooral ook moesten zij het, wat betreft hun leef-

De eerste twist .

tijd, voor ditmaal met de waarheid maar niet al te nauw nemen. Melanie mocht hoogstens 25 en Liesbeth zeker niet meer dan 22 lentes tellen.

Beiden verzekerden papa, dat zij zijn aanwijzigingen stipt zouden opvolgen en met kloppende harten betrad het drietal de balzaal. Mijnheer Schnabel monsterde met onderzoekenden blik het geheele gezelschap en glimlachte tevreden. „Heel goed getroffen" mompelde hij, „er zijn gelukkig niet zoo heel veel dames, zoodat Melanie en Liesbeth niet zoo veel concurrentie te vreezen hebben als gewoonlijk"

Het bal begon. Zoowel Melanie als Liesbeth werden menigmaal ten dans gevraagd, doch telkens maakte haar partner na afloop van den dans de voorgeschreven buiging, zonder nochtharis tegelijk om een volgenden verzocht te hebben.

De hoop in des heeren Schnabels hart begon reeds te verflauwen en hij begaf zich maar naar een in een nevenvertrek gelegen buffet, om daar te trachten zijn ergernis, weg te spoelen met enkele glazen „donker".

Toen hij echter tegen middernacht in de balzaal terugkeerde, klaarde zijn gezicht weer op, toen hij zijn beide lievelingen ieder in gesprek zag met een heer, terwijl de gezichten van Melanie zoowel als van Liesbeth glansden van tevredenheid en geluk.

Geruimen tijd sloeg papa Schnabel zijn dochters gade en zijn hart sloeg sneller van vaderlijke trots. Eindelijk scheen dan toch zijn lang gekoesterde wensch in vervulling te zullen gaan!

Hij heduidde zijn Melanie, dat hij haar en Liesbeth wel bij den uitgang van het gebouw met het rijtuig opwachten zou, om den jongelieden gelegenheid te geven behoorlijk afscheid van hunne uitverkorenen te nemen.

Toen ze eindelijk gedrieën in het rijtuig zaten, vroeg hij met een ondeugend knip-oogje: „Nu, kinderen, heb jullie je nog al kunnen amuseeren?"

Melanie sloeg beschaamd hare oogen neer, leunde met haar hoofdje aan haars vaders borst, en kon geen woord spreken.

Liesbeth haastte zich een liefelijke blos op haar gelaat te voorschijn te roepen en fluisterde slechts heel zachtjes: „Morgen, lieve papa, morgen "

De overgelukkige vader drong niet langer aan, te meer omdat het gelukzalige lachje op het gelaat van zijn beide kinderen hem voldoende zeide. Toen hij thuisgekomen, tevreden zich in zijn

zachte veéren bed had ter ruste gelegd, droomde hij slechts van een liefelijke schaar van kleinkinderen, die erom vochten, wie bij grootvader op de knie mocht zitten.

Den volgenden morgen om half elf verscheen de heer Schnabel, geheel uitgerust van de vermoeienissen van den vorigen avond, in de eetkamer en vond daar de post, waarbij twee brieven in een hem onbekend handschrift. Onmiddellijk zocht hij verband tusschen de kennismaking van zijn dochters op den avond tevoren en die beide brieven, doch hij wilde deze nog niet openmaken, voordat hij Melanie en Liesbeth had gesproken en zij hare zoete ervaringen van den balavond hadden verteld.

Lang werd zijn geduld niet meer op de proef gesteld. Om elf uur verscheen Melanie en enkele minuten later ook haar zuster. Het gewichtig oogenblik was aangebroken. Vaderlijkwelwillend richtte Schnabel zich eerst tot Melanie, de oudste. „Vertel nu eens," verzocht hij en zette zich op

zijn getnak in zijn leunstoel.

Melanie begon nu haar verslag met het in dergelijke omstandigheden gebruikelijke liefelijke blozen en vertelde dat zij met een jongmensch dat, zooals hij haar later toevertrouwde, een betrekking had op een bekend bankierskantoor, en wiens naam van Puffelen bleek te zijn, twee walsen had gedanst, waarbij hij haar zeer smachtend had aangezien. Geleidelijk had zich 'n allengs intiemer wordend gesprek tusschen de beide jongelui ontsponnen, tot tenslotte de heer van Puffelen haar bij het afscheid nemen aarzelend gevraagd had, of hij eens met haar vader mocht komen kennismaken en hem spreken over een zeer belangrijke aangelegenheid Dat zij elkaar weliswaar nog zoo kort kenden, doch dat hij toch hoopte dat zij zijn voorspraak bij haar vader zou willen zijn, enz. Melanie had hem niet eens laten uitspreken, doch was hem op beminnelijke wijze in de rede gevallen met een: „O, komt u toch gerust, mijn papa zal u zeker heel graag ontvangen en '' de rest was verloren gegaan in een onverstaanbaar gemurmel.

Schnabel was in zijn nopjes. „Schitterend, prachtig," zeide hij, „en de jongeman schijnt er geen gras over te laten groeien, ik geloof tenminste dat ik bij de post van vanmorgen al een brief van hem heb."

Er stond op het couvert tenminste een monogram met de letters H. v. P. dooreengestrengeld, zoodat het geen twijfel leed of de brief was van den heer v. Puffelen. Schnabel veronderstelde