is toegevoegd aan uw favorieten.

De wiekslag; maandblad van de Vereeniging "De Onafhankelijken", jrg 1, 1917-1918, no 2, 1917

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alle nuchtere (journalistieke) beschouwingen zijn uit den booze, omdat het nnehtcre leidt tot de onmacht, tot hek diepere. I

7’’—— —’—'—r —— Daarom is alle dagblad critick, op welke kunstvorm ook minderwaardig.

Het nieuwe schilderij biedt contact met alle zinsorganen, ook met het gehoor, soms evenwel noch, met het oog, of oor, maar met het kunstbewustzijn alleen.

Het nieuwe schilderij doet alle nnddelmatigheid verdwijnen, en verwekt de revolutie voor het elementaire.

Het nieuwe schilderij is voor alle eeuwen het is cosmiseh.

Het nieuwe .schilderij ten slotte is niet gebonden aan wetten van historische l)ej)aaldheden, maar is wet op zich zelf, is ivet van icéreld-begrijpen.

De kunstvaardigheid (liet vak schilderen) bestaat in de kennis der chemie liet ontstaan der materialen hunne geaardheden alleen, en onderling.

Het nieuwe schilderij ten slotte manifesteert het kunstbegrip.

LOUIS SAALBOIIN.

Dcc.—.lan.—’lfi—’l7.

DE KUNST, DE KUNSTENAAR EN HET PUBLIEK.

11.

„De tuinman weet, als het boompje aan het blad begint,

dat ’t bloeit en draagt in later jaargetijden.”

Goetiie.

(Vert. : Adema van Scheltema).

De kunstenaar, de ware, de begenadigde, leeft in zijn geest den tijd waarin hij leeft vooruit. Wat hij schept gaat boven het begrip van zijn tijdgenooten uit ;... . kan door hen niet begrepen, niet herbeleefd en daarom niet gewaardeerd worden... Hier is geen opzet, maar onmacht in het spel. Zou hij werk maken dat door zijn tijdgenooten xvel begrepen en gewaardeerd wordt,/dan zou hij een deel van het algemeene, dat is : het algemeene zelf zijn. Een kunstenaar, het scheppend genie, is de ziener van dat wat nog voor anderen verborgen blijft ; hij is de profeet van de toekomst, wijl de in beeld-brenger van het toekomende. Wat in hem ’t natuurlijke, ’t vanzelf-sp rekende, wijl uit-zijn-wezen-groeiende is, is voor zijn tijdgenooten het vreemde, ’t bijzondere, ’t buitennissige.... Wat hem eigen is, is hun vreemd.

Een kunstenaar daarom, schoon hij vol is van al wat in zijn tijdgenooten leeft, leeft als een eenzame in zijn tijd... Hij gaat tusschen de menschen, ziet, begrijj)t en leeft met hen in zijn geest, heeft van al die menschen iets, beleeft in vele oogenblikken dat wat hen allen te zamen beroert ;. . . . en geen van hen vermag hem te naderen als een gemeenzame. Dat is zijn

geluk en zijn noodlot. De wezenlijke kunstenaar voelt zich om zijn geluk niet gelukkig, noch om zijn noodlot wanhopig.... Hij gaat niet gebidvt onder ’t een, evenmin verhoogvaardigd om het ander. Hij voelt zich niet gekrenkt om wat kleinere dan hij smaad heeten, noch verheugd om wat zij lof noemen. Die zijn werk niet begrijpen, niet aa.nvoelen, kunnen hem loven noch smaden. Niet omdat hij fier zou zijn of nederig, maar omdat hij iswat hij uit zijn wezen moet zijn : zich-zelf. Omdat hij in zijn .sterk en diep zelf-bewustzijn onaantastbaar en niet te kwetsen is. Zoo zijn er niet-te-noemen-zooveel kunstenaars geweest die naar den aard van hun diepste wezen zich-zelf uitleefden, en die in den tijd dat hun werk ontstond belachen, gehoond en met gebrek gestraft zijn, maar die desondanks dat werk schiepen hetwelk door een of meerdere geslachten na hen als cle hoogste uitingen van menschelijke gaven werden geëerd en bewonderd .... Want wijl zij waren die zij wareir : de-naar-hun-aard-tot-scheppen-geborenen, deden zij tekort noch vergreperi zij zich aan wat hun leven-zelf, hun kunst was;.... terwijl toch de gemeenschap aan hun zich schier misdadig vergreep. Immers niettegen.staande, naar de maat van den scheppenden kunstenaar gemeten, de achterlijke samenleving. Waarin zij arbeidden, hun, men kan zeggen : wederrechtelijk onthield wat zij hoog noodig haddeir om te leven, gaven zij die zelfde samenleving