is toegevoegd aan je favorieten.

De wiekslag; maandblad van de Vereeniging "De Onafhankelijken", jrg 1, 1917-1918, no 11, 1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen het tè mal werd en de massa bescheidenheid leerde en in de S.D.A. P. haar norm als politieke vertegenwoordiging had geschapen gingen de kunstenaren zich afvragen, niet wat zij voor de massa of de massa voor hèn konden zijn, maar bleven meer menschelijk dichter bij honk. De maatschappelijke positie van den kunstenaar zélf werd tot probleem. De kunstenaarswereld liet de massa haar eigen pot gaar koken en trachtte te komen tot inzicht in eigen nooden en den weg tot leniging daarvan. Overal ontstonden kunstenaarsorganisaties met dit besjheiden maar overziehtelijk doel, dat niet alle vraagstukken der schepping van hemel en aarde in het program wilde vastleggen, maar zich een heldere tweevoudige opgave stelden: hoe kan de kunstenaarswereld in degelijke maatschappelijke strevingen tot eenswillendheid worden gebracht en wat is nu reeds in het belang der kunstenaren te bereiken.

Ongelukkig is het levende menschehart niet zoo mechanisch eenvoudig als onze politieke constructies dat behoeven. Voor den kunstenaar is het onmogelijk zijn maatschappelijk leven te scheiden van zijn kunstdrang, omdat de laatste alomvattend en soeverein is en zoo jaloersch als Israëls God, die geen andere góden naast zich duldt. Als het politieke leven zonder bezieling is, blijven de echte kunstenaren er buiten. Zij kunnen zich offeren aan de politiek der massa en hierin een soort masochistische zelfverheerlijking putten, die bron van schoonheid kan zijn zoolang ze niet als een leugen doorzien wordt, maar zij kunnen niet in alle oprechtheid nuchtere zakelijke politiek voeren in den geest der massapolitiek der S. D. A. P. en andere organisaties, omdat déze zakelijke nuchterheid zonder verband met hun scheppende fantaisie te weinig levensbloed krijgt en geliefhebber blijft. Zoo is nu eenmaal de kunstenaar. De pogingen om een nieuw soort menschehart te scheppen, dat in den „Soeialistischen Kunst” zijn hemel zou zoeken, heeft als iedere poging onze sympathie, maar tot nu toe waren op die harp maar twee snaren gespannen, „ü, was ik maar niet socialist” en „wat moet ik in godsnaam onder

dit zoodje met mijn verbeeldingskracht beginnen”.

De groote moeielijkheid van iedere kunstenaars-politiek ligt in het feit, dat de kunstenaar geen economisch masker is, maar de mensch zelf. Maar daarin ligt óók de belofte, dat een krachtige kunstenaars politiek alleen in staat is om de maatschappelijke machtsvorm in handen te leggen van menschen in plaats van de hyaena’s der „zakelijke politiek”, voor wie de menschen slechts ~materiaal” zijn, voor hun stembus of kanonnen politiek. Andere politieke organisaties bedoelen slechts de verbetering der economieche positie. Hun materiaal kent de spontane geestelijke belangstelling der kunstenaren niet. De kunst is voor hem amusement geen scheppingsdrang, die alles verteert en verteeren wil en moét. Zij kennen die hoogere bestaanswil niet, die desnoods het lagere bestaan, dat aan een lichaam met economische behoeften is gebonden, opofferen moet, of zij kennen die hoogere bestaaswil alleen in neurotische vormen als het vaderland en andere zieldraaiorgels, waarop de hyena’s der nuchtere politiek de muziek der Hemelen hebben gezet. Zij kennen slechts de zwarte schaduw van het zich zelf zoekende menschehart, om uit dit materiaal hun macht te bouwen. Een politiek van waarheid, licht en schoonheid kan alleen steunen op de kunstenaren, die zich met ziel en zinnen hebben overgeleverd aan die wereld van waarheid, licht en schoonheid en alles, ook de politiek daaraan ondergeschikt verklaren.

De kunstenaars-politiek is de democratische wedergeboorte van de feodale kerk, zooals de S.D.A.F. zich hopeloos vermoeit om de kapitalistische staat te democratiseeren tot haar machtshiërarchie van ~nuchtere” politiek.... Een ware democratie is alleen mogelijk als ieder nummer van het politieke materiaal in het oog van alle andere nummers een ondoorgrondelijk en onaantastbaar geheim draagt, dat veilig in Gods Hand rust. Alleen waar strijd gevoerd wordt, in de Hel en in het leger, is een hiërarchie, maar waar vrede heerscht, gebiedt de wijsheid in ieder zijn tot kunstwerken en tot een waaraehtig menschelijk leven bezielende zegen. En die vrede begrijpen