is toegevoegd aan je favorieten.

De tuin; geïllustreerd maandschrift kunst letterkunde tooneel muziek politiek sociologische wetenschappen en maatschappelijk werk, jrg 1, 1899, no 1, 1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Drogon is niet groot, en niet doordringend maar met een charme als een insinuatie, die lief zijn zou.

SCHILDERKUNST (ARTS AND CRAFTS). VAN rijsselberghp:.

Elr komt, en immer, iets van ’t minnelijk van weemoed als je van buiten komt, en dan ziet een schilderij ; als je komt van ’n schip, van ’t water, den ganschen dag in den sierenden wind, en staat voor ’t schoon dat dingen-in-lij.sten zijn. Maar dit werk is lekker als tot je nek in ’t water; al kom je pas van ’n briesvollen zee-dijk met ’t algele gras : dit blijft. Dit is geen schande bij een waaienden wind ; en vol van een klaarte, een tierige klaarte, en met rumoer van lichtgeruchtend, haastig water.

Het werk lijkt mij bizonder bekoorlijk.

Het is van een groote gemakkelijkheid als een die zijn lijf moeiteloos beweegt, en die zijn kracht bewaarde door veel varen over zee. Het is niet groot; maar rank, maar van een frissche elegantie, ’t Is een wonder van helderheid met .soms een vreugdevolle lichtheid als dingen uit Mei.

Er is een bewuste sterkte noodig tot de zeker – heid van ieder gebaar, een die .sterker is dan z’n werk, altijd, ’t Is nooit met pijn gedaan. En soms, dit is ’t verste, wordt zijn kracht somptueus, als bij ’t portret van een meisje: haar hoofd als wat van Da-Vinci, ’r kleed, dof-groen; ’r haar rosbruin. De mee.ste schilderijen zijn landschappen, met water, aan zee gelegen. Duinen met een avend-zee, en avondlucht; tjalken op de Schelde, ’t water als van kanalen; een dijk, een hoofd in ’n zee-stroom met koeie, veel lucht en water, en ’n regenboog, ’t schoonste erbij; en een uit ’t Zuiden meer: de lucht roomeger brandend, ’t .strand oranje, rood, als zelf een boeket.

De zee is nooit, of ’t water, onstuimig; maar in de gang van ’t heele werk; lenige schoonheid, ’t Procédé is pointille.

PAUL SIGNAC.

De kunst van Signac neigt meer naar schemerender kleur. Zelfs in zijn felste werk als hier een haven uit het Zuien, met schepen is de kleur niet scherp en brandend, noch als bij Vincent deining van broedende massa maar meer herinnering van-sterkte.

De Nuance overwint hier al, die soms traag valt als een blad van bloem op wind; of stilstaat soms, als ’t evenlicht nog uit een late lucht.

Er is een haventje uit Zeeland waar hoogaarzen en hengsten in liggen, de fok gerold; in den teedren, vaag-violetten schemer zijn die uitgevaren daar, en nu alle, als tot een droom gemeerd. Verder, op zee, is ’t licht nog geel. En zoo ’n ding ratelt niet luid; noch helder en een-

voudig; maar ’t is verhaal, verhaal waarin de woorden komen haast zonder weet; als ’n schip dat mee gaat drijven met de eb ; er is geen wind, nooit wind; maar ’t water is vlak; de schipper staat, gulden-licht, te varen, tegen de gele lucht; soms roeit er iets voorbij waar veel muziek uit klinkt.

En de tijd schijnt gelukkig als viel er schijn van uit een hand die niet bewoog; als zeefde ’t licht door een wan die wankelt niet.

DEGOUVE DE NUNCQUES.

Het grootere heeft neiging tot donkerte en zwaarte; en mist veelal de luchtigheid van wolken die toch ook over ’n heel land liggen.

Zoo dit werk, dat daarenboven ’t gevaar nog heeft van meestal in pastel te zijn; waar als er veel in gewerkt wordt,’t papier schijnt te vezelen in kleur; maar de kleur zelf dood is.

Maar een, in olieverf, ’t Paysage Brabancon, mist veel donkerte. Een land van akkers, tusschen sparren aan de zoomen; geel van boven; met plaatsen waar de schoven al staan, in later licht; vooraan een trein-lijn met palen; huisjes; en alles dit simpelliik. Een totaalkleur voor iedren akkers; zuiver en sterk. De lucht wat violet al, met een wolke-vorm die ze in groote gebogen lijnen liggen doet.

En dit van een zoo sterke en rustige zuiverheid dat heel de rest van de tentoonstelling slap blijkt, en flauw, bij dit en zelfs een landschap met een kronkelwater vooraan, tusschen verspreide boomen, met verder op wat huisjes ; een dat frisch is, uit de donkerte en niet in ’t helle nog, is gering als een charme bij dit Paysage Brabancon, dat niet is vorstelijk, maar beter, waar, maar beter rustvol-van-eenvoudigheid.

En hoewel ’t ander werk goed is (uitgezonderd een, de suikerwerk pastel huisjes van lam-roze rood in groen) het ware voldoende, en een roem, een zekere geschilderd te hebben zelfs alleen dit Paysage Brabancon.

EEN JONGEN EN ’N MEISJE DOOR JAN KARSSE.

14 Februari.

Hoe ze heette?

Riza.

Riza ? ’n vreemde naam.

]a, vreemd. Maar ’r grootvader was ’n Italiaan geweest van uit Tyrol; en die was naar hier komme wone. En van die had ze die gekke naam gehad. Maar ze vond ’t toch aardig. Ze hield veel van gekke dinge, maar niet te èrg, hé ? Hij ook ?