is toegevoegd aan je favorieten.

De tuin; geïllustreerd maandschrift kunst letterkunde tooneel muziek politiek sociologische wetenschappen en maatschappelijk werk, jrg 1, 1899, no 1, 1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier alleen niet blijven ronddolen! —: Dolfke, ’k ga meê met u over zee! De jongen monkelde ongeloovig: uw vader zal niet willen, zei hij, en gij zoudt niet durven ook. Maar ik overtuigde hem en vader zou ’t niet weten, ’k ging me verduiken.

Altijd voort werden tafels en stoelen buitengebracht en opgeladen. We stonden dat nu zwijgend af te zien. Moeder bracht Oom-Sanders vedel buiten en wilde ze gedoken op den wag-en wegsteken. Maar Peter-Oom had ’t gezien.

o – Hier, dat ding! grommelde hij, al dat muizelspel moet nu voorgoed uit zijn; nu is het eerst van ernstig erop toe te gaan; er zal ginder niet te droomen, maar flink te werken vallen. Hij greep de vedel uit hare handen en verbrijzelde ze onder zijnen voet; hij schopte de splinterlingen vóór zich uit in eenen waterplas.

Dat was een heele wereld die daar voor ons werd stuk geslagen en we keken Peter-Oom angstig in de oogen. Nu was ik blij dat Sander-Ooni ver weg of dood was en dat alles niet zag. Wij gingen in huis. Hier was het ijl en uitgeplunderd, de muren naakt en de vloer zoo bloot en de geluiden van onze stem klonken er heel vreemd. Wij trakelden tot bij het venster en stonden daar lang met het voorhoofd tegen de ramen geleund, te droomen. We zagen over het verwarde en verwoeste hofplein dóór ’t regenstriemen, tot diep in de kale tronken. Vóór ons, onder ’t vemster was er een groote waterplas waar de fijne .stofdruppels krieuwelende kringetjes in sloegen. De ruiten bedoomden door onzen adem en ’t geen we nu nog zagen was ö ö ö

heel duister: een versmolten, onduidelijk droevig ding dat op niets en trok.

Dolfke, ’k ga toch meê met u, jongen, en we gingen buiten zien hoe ik me ’t best zou kunnen verduiken op den wagen. Ik vond een groote koffer; maar toen ik het deksel oplichtte en een laatsten keer rondkeek naar al de dingen om mij: dhar in de dreef zag ik mijn vader en moeder afkomen ... en ik liet moedeloos het deksel vallen. Zij gingen in huis en namen afscheid. Peter vertelde lang van de vette landen van ginder ver en de groote vruchtbaarheid, maar ik wilde niet luisteren. De wagen was nu gereed en Peter-oom deed de ronde en sloot al de deuren en we vertrokken al te zamen. ’t Was even een triestige lijkgang door de natte dreef. Aan de scheidbaan werden de laatste gelukwenschen gesproken en vader en moeder namen me bij de hand en we gingen naar huis.

Moeie kon bijna niet voort:

’t Zal den armen jongen zijn dood kosten, zei ze nog en dan volg-den zij den wagen. Ik bleef hen lang achterna kijken maar de regen viel zwaar en vader wilde voort.

Nu was het uit. Heel de wereld kreeg; voor mij een ander uitzicht; de heldere blik waarmede mijn oogen alle dingen beglansden was weg. De menschen waren boos en mijn vader, die veel beter dan alle menschen moest zijn, beschuldig- ik van eene slechte daad.

Dat was mijn eerste, groot verdriet.

Stijn Streuvels.