is toegevoegd aan uw favorieten.

De tuin; geïllustreerd maandschrift kunst letterkunde tooneel muziek politiek sociologische wetenschappen en maatschappelijk werk, jrg 1, 1899, no 2, 1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op, als van een détail-geleerde en van een nurksch klerk, ja soms stel je je voor—met wat lyrisch élan. Maar ’t blijkt dit niet te zijn. En prijst-i 2maal, aan ’t eind neemt-i eenmaal terug.

Alsof hij zulk een schoonheid kende dat roemen haast lafheid scheen.

Hij is die nu vaaglijks Vincent durft roemen, maar die in ’t begin, de grootste vlag van hartstochtelijke kleur die ooit woei van ’t Hollandsch huis, niet zag; die de zoogenaamde fijne teekening waardeert, ’t lijkt fijn, maar ’t lijkt op niets maar die de stem niet hoorde waarin de kunst en schoone menschelijkheid bij elkaar zijn, en om elkaar, en in, ’t meest dicht van al Hollandsch werk. Van Gogh is niet te denken alleen een schilder en niet een mensch vol menschelijke goedegheid.

Een middel nog is, voor z’n naam : de behandeling van détails; ’t schijnt dan zoo eenvoudig dat je ’t geheel ziet; en ’t schijnt schilders: deze weet ’t.

20. Mejuffrouw Marius

die in de Gids schrijft; die in ’t Vaderland schrijft.

Dit altijd- t-v oor werp-ach ter- t-w er kw oor d-v 7'ouwtje. Ze heeft geen ander stijlvermogen.

rj • » J ö Ze IS met kwaadaardig; maar muf als oud beschuit.

Ze verklaart schilderijen litterair.

Als iemand huizen schoon ziet, en een kerk maar de huisjes zijn kleiner, en eenvoudeger van kleur: dan zijn ’t de duffe puritenische huisjes.

Omdat ’t niet zwoel is, maar sober ’t ding is ’t zuinig; daarna; over Moulijn sprekend: die is ook zuinig, maar enz.

Ze schrijft over Ruskin. Je leest ’t aandachtig. Als ’t uit is, weet je niks.

Ze bazelt; ze wil goed.

30. Ik heb een sympathie voor Zilcken, hoewel-i eer belachelijk schijnt. Hij is zoo bang voor Veth (comme a dit si eminemment Jan Veth), maar hij is eerlijk. Hij is bang. Een soort reporter van kunst. Zelfs z’n etsen schijnt reportage.

Maar hij is eerlijk.

Niet Haverman. Die liegt. En imiteert Veth.

En een nog H. H.:

’t juf je in de schilderkritiek, ’t jufje. Dht wil kritiseeren, en dat kan het niet. Da’s te dom.

Dat laat kleine schildertjes extases hebben als ’n aardappelboer aardappelen, en dat gaf (als bewijs van haar bevoegdheid) eens, dat ze gelukkig was geworden omdat alle schaduwen paars zijn (zie Telegraaf + 1,5 è, 2 jaar geleeen.)

Dan zijn er nog andere. Klammere? Maar dit dunkt genoeg.

VINCENT VAN GOGH DOOR ALBERT PLASSCHAERT. (OPMERKINGEN.)

Dit hart, dit hart.

De meeste menschen spreken, op hun tijd, wanneer ze te veel dronken, of ze zien zich gevleid door wat, van ’t voorwerp : ziel; bekoorlijk of onbelangrijk, al naarmate den mensch. En immer met een nederigheid, die als de fijne geur is van dit boeket.

Maar deze

wien ’t bloed door-gulpte, als bij ’n ander ’t zacht doorkruipt; dit hart-van-harten, en dit mensch, dat niet interessant te vinden is naast z’n werk, maar dat is z’n werk, zooals een ander is dat of dit pak kleeren, zei deze ’t ooit ? D’andren zijn de parvenus van hun ziel: kijk ’s; ’t is zoo en zoo, mooi ? ’t kost zooveel, dezen was ’t geen meubel waarvan-i de hoos afoam om er mee te te geuren maar was: licht dat overal z’ii dagen scheen; en water dat heel z’n land doorstroomde.

Ik heb mij gezet om Vincent te doen waardeeren. En algemeen. Al zien ze ’t niet, dat ze ’t toch weten. En zou het 60 keer niet helpen, ik zal het 70 maal doen. Ik laat niet af voordat-i zit waar deze hoort gezeten, en gaat waar-i hoort te gaan:

Om zekere eigenschappen, hier, in Holland voor alle andere; en om andren gemeene, haast d’allerbeste.

10. Er wordt gesproken in de kritiek van Fred. van Eeden (die meer een gevlei is dat van Eeden ’t werk zöo goed begrijpt dan een waardeering van ’t werk zelf; een ijdeltuiterij en niet een eerbied; toch verdienstelijk omdat deze een van de eersten was) van een kunstkritikus, die zei dat ’t werk rhetorisch was. Misschien wist die man niet wat rhetorisch beteekende. Misschien noemde deze kunst-„kritikus” alles wat een grooten gang had, en niet naarstig neergepeuterd was rhetorisch. Maar ik geloof dat als eèn werk niet is rhetorisch-nagepraat van anderen, zelfongevoeld, ’t_ dit is. De eenige fout dien je ’t zou kunnen vinden is dat ’t eerder een excesse bleek naar den anderen kant; als van iemand die zoo geweldig zou schreeuwen dat-i in overspanning geen geluid gaf. Dit zou de eenige fout zijn dat het soms niet geworden is tot een geheel, een evenwicht van de ’t componeerende krachten; maar hier een Aarde van schoonheid, en daar ’n gescheurd rag.

En door dit alles heeft ’t werk die eigenschap die hem hier in Holland – en waar niet voor alle andren moet doen gaan, van ’n werkelijkheid die komt uit de onafscheidbaarheid van ’t werk en de schoone persoonlijkheid.

Er zijn sommige werken interessant door een speciaal vermogen, maar 10. maakt dit den

SIMPLEX RIJWIELEN.