is toegevoegd aan uw favorieten.

De tuin; geïllustreerd maandschrift kunst letterkunde tooneel muziek politiek sociologische wetenschappen en maatschappelijk werk, jrg 1, 1899, no 5, 1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geen gerucht maken hoor I de dief mocht ons ontsnappen I

Verdam had nog twee kampers afgekegeld en nu moest hij in een laatsten slag uitwijzen tegen Swas de boereknecht. Kerlo zat tusschen de andere toeschouwers, gehukt, met de hand aan de kin, verslonden te kijken op het spel, als de veldwachter en zijn volk, in ’t hout gescholen, de doening afspiedden.

Die, ddar op zijds, fluisterde Sanctelein en hij hertrok zich dieper van vrees, indien ’t mislukken moest. Zij lieten op teeken van den veldwachter, gezamenlijk een vervaarlijken schreeuw en sprongen ijlings toe. Zij grepen Kerlo vast, wierpen de koord en wondden ze hem rond armen en lijf en trokken bij een einde.

De menschen stonden lijk verdaan door een plotselingen donderslag en Kerlo en de speelers en bekwamen niet \an hunne verwondering.

Maar de boeren mieken het seffens mondgemeene dat Kerlo een roover was en hen allen bedrooo-.

De Christus werd uitgehaald en aan Sanctelem overgegeven. Nu brieschte Kerlo lijk een bezetene maar de boeren sloegen op zijn lijf en juichend sleepten zij hem mede door ’t hout.

En Swane stond daar met heur verwondering alleen gelaten, ’t Was even als achter een kwade slagvlaag: al dat leven en die doening was ineens uiteen gevlogen en verjaagd. Zij bleef staan staroogen over de bane en dacht wat er nu toch gebeurd was of gebeuren zou.

Heel ’t dorp liep te hoop om den booswicht te zien en Kerlo werd in ’t dievenkot gesloten voor een heelen nacht en ’s anderdaags, op eene ezelkar naar stad gevoerd. Daar hielden zij hem twee maanden gevangen.

Niemand meer die nog een voet in ’t woud zette en Sanctelein en Swane leefden daar in eenigheid. Swane bond heur bezems en zong beur lied, en Sanctelein droomde dag en nacht en leefde lijk betooverd door dien vreemden nachtegaalzang. Hij liep verjaagd en doolde rond dat huis dat hem met geheime macht aantrok en zijn zinnen roofde; hij was even een gevano'en vogel.

De zonne brandde en de blaren hongen verzengd aan de boomen ; beneden in de mullige teelaarde woekerde het vruchtbare rankhout en de kruipdieren en ’t wild en alles leefde in een uitspattenden, gezonden, warmen overvloed. Achter twee maanden lieten zij Kerlo vrij. Hij rende lijk een hond van de keten, het poortje uit en liep verdoold door de groote straten. Tegen avond sloop hij achter de huizen over ’t dorp, recht naar zijn woud. ’t Was hier al zoo veranderd dat hij ’t niet verkende bijkans. Hij wilde zich duiken omdat ’t allemaal zoo verbloot en verenkeld stond en hij sprong in ’t dichte hakhout.

De grond en de banen lagen nersch en ’t de boomstammen blonken; ’t stoorde overal een vochtige zompelreuk lijk uit een verdroogden vischput. Hij wist niet dat binst heel dien langen tijd, dat hij daar in zijn donker kot had zitten staroogen in zijn verwoede kwaadheid, het hier zomer was geweest en de zonne vrij was blijven

rondrennen door den hemel en dat heuren loop nu omtrent uit was en ’t winter zou worden.

De blaren reuzelden van de boomen en overal waar hij den voet zette ging er eene dorre ritseling. Er hong een koude mistreeuw in de kruinen. Hij kroop door dichtgewassen wissetronken over grachten en slooten tot hij eindelijk aan ’t Lindelommer kwam. Van ver reeds hoorde hij Swane’s heldere stemme die lustig zong:

Nu es die edele tijd geboren Die ons bloemen sal bringhen in ‘t lant Soe sijn die edele die sijn vercoren Te draghene dat jok der minnen bant.

Hij opende omzichtig de deur, reikte naar zijn roer aan de wand nam zijn jachtzak en zonder eens op te kijken wien er mocht in huis zijn, vertrok hij zoo vlug hij gekomen was. Eer Swane een woord kon uitbrengen stond ze weer alleen en met open mond vol verwondering over dat onverwacht en zonderling binnenkomen.

Kerlo was langs achter verdwenen. Hij kroop diep in ’t hout en daar laadde hij zijn geweer, ’t Schemerde nu overal en hij zette zich te wachten tot de maan zou uitkomen. Nu en dan zuchte hij ingehouden en in zijn binnenste woedde er een sterk verlangen. Hij kroop weeral vooruit en welhaast kwam hij aan ’t jachthuizeke.

Sanctelein zat buiten aan zijn deur in het heldere manelicht en was aan ’t effen kappen van een ruwen blok hout. Met dat Kerlo hem ontwaarde sprong er lijk een veer los onder zijn kiel, en heel de doening van over twee maanden stond met nieuwe levendigheid voor zijnen geest. Een wrakende reutel kwam uit zijne keel, hij legde zich plat uitgestrekt op den buik en ging den haan overtrekken, maar wachtte, hij wist zelf niet waarom hij nu niet voortdeed aan zijn besluit. Maar hij moest en wilde eerst nog een tijd inwendig jubelen om ’t genot en dan een kortdolfe kletsknal zonder weergalm sloeg door ’t hout en er ging een schreew. Sanctelein was gevallen!

Kerlo sprong op, stond eerst wat te kijken en verwonderde zich om ’t geweldig kloppen van zijn hert en dan, in een plots ópschietende vreugd ging hij geweldig aan ’t dansen en sloeg zijn roer zot in de ronde door ’t hout. Dan weer werd hij ineens heel kalm en keek verweerd rond, spiedde langs alle wegels en dan kroop hij over handen en voeten tot bij het huisje.

Sanctelein lag achterover met gekeerde oogen te stuiptrekken; een straalken bloed gulpte uit een gat in zijn ondervest. Kerlo keek hoe dat stilaan een lijk werd en blauwendig bleek van verw en geel, in dien helderen maneglans. Sanctelein pinkoogde nog, reutelde drie, vier keers diep achter zijn adem en dan bleef het traag gorgelen in zijn keel tot ’t heel en al versluisde en eindelijk uit was.

Daar, sloeber, grommelde Kerlo, zij kan nu komen uw endelvers zingen! en hij vertrok; maar eer hij over de gracht sprong moest hij nog eens ommezien, hij had lijk een gevoelen als kwam

OVERAL VERKRIJGBAAR.