is toegevoegd aan je favorieten.

De tuin; geïllustreerd maandschrift kunst letterkunde tooneel muziek politiek sociologische wetenschappen en maatschappelijk werk, jrg 1, 1899, no 5, 1899

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sanctelein achtergegaan, ’t was dom vond hij, en ging nu haastig naar huis.

Swane keek verwonderd naar zijn ijdele handen.

Wat hebt ge geschoten? vroeg zij.

Niets, antwoordde hij kortweg.

Ze wilde hem vragen achter nieuws, hoe ’t hem vergaan was in stad maar hij hoorde ’t niet. Hij zou slapen gaan en nu keken zijn oogen op ’t kaafberd en zagen er op dezelfde plaats, het gesnekkerd Christusbeeld staan, hij voelde zich bleek worden en in zijn arm ging er eene drift om ’t allemaal in gruis te slaan, maar hij deed_ niets en zweeg. Hij keek om uitleg, zijn wijf in de oogen en zij bezag hem zoo onschuldig nuchter en monkelde:

Dat heeft hij hier gebracht ’s anderdaags als gij weg waart en hij zegde mij dat hij spijt had om ’t gebeurde en hij vroeg me weeral een lied. Zij schudde een gullen lach in gezonde, klinkklare blijheid, perelend rond haar' uit.

Kerlo blekte verweerd zoodanig dat Swane zweeg van lachen en benauwd werd. Hij reikte naar t kapmes, nam de Christus van ’t kaafberd en zette zich op de hukken gezapig aan ’t klieven. Al die fijne snekkering viel lijk droog .sulferhout in splenters uiteen onder de slagen van ’t zware mes. Swane stond dat goedsmoeds, zonder spreken aan te zien. Als ’t laatste schilfering in gruis gekloven was schopte Kerlo de boel in den haardschoot.

—• Nu gaan we slapen, gebood hij, ge moet staandelijk alles inpakken, morgen vroeg' gaan we vertrekken. "

Hij ontkleedde zich en kroop in ’t leeg donker kamerke in bed. Swane volgde hem en ze legden hen nevenseen uitgestrekt op ’t strooi. Kerlo was honderduist uren van den slaap. In zijnen kop stond het nu heel klaar: er was iets gebeurd tegen zijnen wil en zonder zijn schuld en daar was niets meer aan te beteren; dat doemde als een eendlijk ding in zwarte ongelukskleur voor hem op en hij wist niet waar het zou ophouden of wat er nog bij moest gebeuren. Hij lag, even de machtelooze puid, gedragen in reuzenhanden en al wat hij spartelde om vrijheid of verlossing was vergeefsche moeite.

Dat oud leven en die stilreine boschvrede was nu weg, gebroken en nooit meer terug krijgelijk.

Nu deed hij nieuw geweld en wilde stroom-

ópwerken, zich zelf inhouden om ’t onheil niet te verergeren. Hij trachtte zich te paaien met’t gedacht dat alles nu weer in den haak was. Lag hij nu niet rustig nevens Swane en was de andere niet voor altijd uit den weg? —Ze zou hem geen liedjes meer zingen! maar hij beloog zich en voelde nieuwe onrust opkomen.

Swane was zoo vreemd beklemd en z’en verkende beuren vent niet in heel die onverwachte doening. Dat galmend geweerschot! Had hij Sanctelein geschoten ? en waarom moest hij haar Christus in stukken klieven ? Nu kon ze ’t niet meer uithouden en ze wilde seffens bescheid weten.... Heur handen betastten voorzichtig Kerlo’s armen en lijf, zij luisterde naar zijn ge-

regelden aderagang en zij scheen nu overtuigd dat hij sliep. Zij wachtte nog wat en dan schreed ze zachtjes uit het bed. Gelijk ze was, zonder aankleeden, sloop ze in stilte naar buiten.

Zie, daar was het weeral uit; hij wist het, er waren nog dingen achter. Als hij haar hoorde weggaan was ’t een nieuwe stap in ’t ongekende en hij moest weeral mede. Hij rechtte zich en zat lammelijk te denken, Weer andere daden. Al de pijn om vervlogen rust en verlangen om ’t oud leven te herbeginnen gooide hij uit den kop als een zotte onmogelijkheid. Hij kreeg koud en nu ineens zag hij zich zelf daar zitten als een laffeling met zijne overdanige hartbrake alleen; hij schoot op, kleedde zich, greep het kapmes en ging op goed geluk vóór zich uit.

De boomen stonden eendlijk groot in de zwartdonkere nacht en de maan vlekte de grond vol scherpe schaduwen. Er voer door de wringwiegende kruinen een wind geweldig als een vlucht wilde peerden. Kerlo kroop door ’t hout langs onbegane wegen en de natte wissen sloegen hem vervelend in ’t gezicht, ’t Was hem al gelij'k langs waar, hij wist toch dat hij op ’t jachthuisje zou uitkomen. Hoe meer hij naderde des te stiller sloop hij vooruit en in zijn kop en om zijn hert ging het zoo geweldig aan ’t kloppen en ’t derschen dat hij wat stilhield om te rusten. De boomen stonden hier schaars en hij kwam in eene opene plaats waar ’t manelicht vrij in neerviel en overal waar hij rondkeek waren het zwarte wanden van reuzig oprijzende boomen met worstelig verwrongen takken. De nachtuilen bliezen uit de zwarte donkerte overal achter hem lijk gekkendekwelgeesten. Nog eenige stappen en daar lag het open veld en de klaarte en bezijds stond het jachthuizeke. Hij hoorde niets maar hij zag entwat schemerigs roeren voor de deur. Hij loerde beter en kroop nader en, al zijn bloed voelde hij naar den kop bijzen; in zijn binnenste ging er iets aan’t zieden lijk een zee. Ddar was de reden van al die onrust afwezigheid en zijne gevangenis zoo pijnlijk miek! ddar was nu de zekerheid: Swane hoereerde hier in dat bosch met dien verdoemelijken langgehaarden snekkeraar ! Hij wist het sedert lang. Daar, onder zijn oogen, in ’t klare manesching, zat Swane zijn wijf gebogen over den dooden Sanctelein, en ze zuchtte en ze troetelde hem en lekte zijn wonde. Hij had haar willen dooden en zijne hand greep verkrampt naar zijn kapmes. Maar ’t kon niet! het gruwde hem dien schoonen kop te schenden; dat was iets dat zoo heel buiten en boven zijne macht lag en heilig was. Het speet hem om al die schoonheid.

Hij zou nu liever stil vertrekken. Hij moest toch weg en nu zou hij alleen gaan. Hij haastte zich naar huis in een razende gejaagdheid. In den hoek van het looverdak miek hij eene opening en stak er het vuur aan. Dan sprong hij in huis en redde zijn roer en zijn alm en ging dan geleund tegen de linde, staan kijken op den brand. De smeulende rook vervulde de boschkruin en later kwamen gloeiroode vlani-

SIMPLEX GROOTSTE RIJWIEL-