is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 1, 1927-1928, no 1, 15-09-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

J. H. Leopold

Het valt niet te betwijfelen, dat de dichter J. H. Leopold in de kringen der letterkundigen thans een figuur van beteekenis wordt geacht, wiens stem den ban heeft gebroken van een literaire richting, die tot een mode verstard was.

De Tachtigers hadden zichzelf en de natuur gegeven. Zij hadden hun sensaties en stemmingen genoteerd, of geduldig vorm en kleur der hen omringende werkelijkheid opgeteekend. Zij vonden hun werk mooi, een kleine bent bewonderde hen, en het scheen of iedereen tevreden was.

Maar omstreeks 1 890 kwamen van alle kanten de protesten los. Rondom ons kleine land werd de strijd tegen het naturalisme aangebonden. Dehmel in Duitschland, Huysmans in Frankrijk, Maeterlinck in België riepen den dood van het naturalisme uit en bij ons schreef Van Deyssel zijn bekende opstellen: ~De dood van het naturalisme” en ~Van Zola tot Maeterlinck”, en sloot Verwey zijn tijdschrift ~De Beweging” voor het naturalisme in eiken vorm. De strijd tegen het impressionisme volgde. Men wenschte geen koestering van eigen zieleschoonheid. Henriette Roland Holst, die zich over haar ziel gebogen had als over een vijverspiegel, stond op, keek rondom zich en zag den economischen strijd van kapitaal en arbeid en na den strijd de liefde.

Was er dan niets anders dan de levenlooze natuur en het eigen-lk? er geen maatschappij en geen bovennatuur? Was er geen medemensch en geen gemeenschap? Was er geen mysterie en geen God?

De gemeenschap en het mysterie werden voor de jongeren, wat de natuur en het eigen-Ik voor de ouderen geweest waren. Adama van Scheltema en Henriette Roland Holst gaven de gemeenschapskunst. En zoetjes aan kregen maatschappij en natuur een stille glans, die te voren niet werd opgemerkt. Het scheen als of een warme gloed van uit het wezen der dingen straalde en hen omgaf met een lichtneveling. Daar stond men voor het mysterie van den dood, voor het mysterie van het leven, voor het mysterie der schepping, zelfs waagden enkelen het te zeggen: Gods schepping! Men hoorde het ruischen van een macht, die niet van deze aarde was, in wind en in golven en in de zachte val van de regendroppels op boomblad en vensterruit. Dit ruischen, deze niet-te-hooren en toch gehoorde klank wilde men bewaren in het nieuwe vers, een nieuwe groep dichters worstelden op nieuw met woord en maat en tot hen behoorden Leopold en A. Roland Holst, twee schrijvers, die elkaar verwant waren, zooals de jongste heeft getuigd in een mooi opstel in ~De Gids”. Laat de oudste van beide een oogenblik onze aandacht hebben.

Zelden zal de stem van een dichter, die slechts een zwak prevelen genoemd is, zoo luid hebben geklonken. Niets scheen Leopold bestemd te hebben tot een voorman en tot een leidsman voor velen. Bescheiden en eerlijk, zonder ophef en zelf-vergoding, zonder zich op den voorgrond te dringen of zijn stem uit te zetten, gaf deze oprechte mensch zijn droomen en mijmeringen als een aalmoes aan hen, die hunkerden naar een wereld.