is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 1, 1927-1928, no 3, 15-11-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

paald, er wordt gecombineerd, etc. etc. En dat alles geschiedt zeer terecht, want de praktijk der bewoonbaarheid eischt het. Het huis als kunstwerk is mooi om. . . . naar te kijken, doch zeker niet geschikt om te bewonen.

Maar wel kan het huis en z’n inrichting stijlvol zijn; want stijlgevoel is een kwestie van mentaliteit, en daarom iets persoonlijks. Kon men vroeger komen tot een massale levensstijl als symbolische verbijzondering van het opgaan en te samen komen van heele geslachten tot één gemeenschappelijk ideaal; thans nu we leven in den tijd van de individueele kunstdaad en daaraan gepaard gaande individueele waardeering, zal stijlgevoel hoogstens bij den enkeling of bij bepaalde kleine groepen zijn te vinden.

Zoo gaat het ook met het alom zich openbarende verlangen naar aesthetische woon-inrichting.

Maar zoo vraagt men zich af waar vindt dan de kunstzinnige leek (men vergeve mij de iet-of-wat aftandsche uitdrukking) in den baaierd van het heden eenig houvast, eenige aanwijzing omtrent de asthetische waarde van wat er als ~Kunstnijverheid" of ~Interieurkunst” hem alom wordt aangeprezen. Het is goed deze vraag te stellen, ook al erkennen wij de waardeering der schoonheid in hoogste instantie als een gevoelskwestie. Ik geloof dat het beantwoorden vooralsnog niet mogelijk zal zijn in dien zin dat het antwoord zal luiden; daar of daar kunt ge uw licht opsteken, kunt ge worden ingewijd in de geheimen en het wezen der schoonheid.

Aesthetische opvoeding, liefst zoo jong mogelijk, is zeker een waardevol middel. De ouderen bereikt men natuurlijk het beste door dag- en weekbladen en door het kunsttijdschrift, dat mits goed geredigeerd een belangrijke rol te vervullen heeft. Verder onderschatten we evenmin het belang van cursorische voordrachten en alle overige middelen, die tot verdieping en nadenken kunnen leiden.

Een tijd van zeer groote smakeloosheid op 't gebied van Woning-inrichting ligt achter ons. Men heeft zich langzamerhand bewust gemaakt dat in deze barre maatschappij ~de mensch bij brood alleen niet leven zal”. Er is een hoe langer hoe breeder uitgroeiende invloed der moderne kunst op het dagelijksch leven te constateeren. Er is daardoor meer causaal verband gekomen tusschen de kunst en het onontkoombare verloop aller levensuitingen in Spenglerschen geest!

Bedenken we daarbij dan bovendien, dat de ontwikkeling van het meubel voor een groot deel een kwestie van traditie is, dat z’n groei, z’n bouw, z’n kleur steeds werden geleid en bepaald door de ongeschreven wetten der praktische levenseischen, dan beseffen we meteen dat de ware mensch, dat is de vrije toekomst-mensch, die het nieuwe, dat komen gaat z’n moreelen steun heeft toegezegd (immers financieel behoort hij haast altijd tot de minder, zoo niet minst draagkrachtigen), zich tusschen de gerenommeerde bazarmeubelen als een kat in een vreemd pakhuis zal moeten voelen. Van den handel hebben wij voorloopig niets of zeer weinig te verwachten. Ik laat een instelling als de Nederlandsche Bond voor Kunst in Industrie nog even buiten beschouwing, omdat deze een zeer bijzondere taak vervult, doch over ’t algemeen nog te weinig invloed op het bedrijfsleven en de fabrieksproductie heeft om dat in betere banen te kunnen leiden; ook al onderschatten wij het vele goede niet wat reeds werd bereikt.