is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 1, 1927-1928, no 4, 15-12-1927

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Help hem, help mij", zij vleide, zij smeekte, heesch van ontroering.

~Mevrouw”, zei de goede man, ~indien u nam rooden wijn, dezen wijn ~kookte en in dezen kokenden wijn liet aftrekken de hersens van een pas ~ gestorven man, dan. ...”

Zij had geluisterd met spanning, de droge lippen van elkaar glimlachten even, als in blijde verwachting. ... nu sprong zij op, greep een bijl, en ijlde naar de kamer, waar haar eerste man lag opgebaard.

In het half duister tastte zij met haar linkerhand. Zij voelde zijn baard. Bewogen de lippen? Het tengere, oude lichaam rees op en sprak:

~Heb ik het niet gezegd.

~Zoo zijn alle vrouwen.”

Met een gil stortte zij achterover.

Dit verhaal is in zijn kern niet nieuw en niet oud. Het is aan geen enkele mode onderworpen. De stof is van alle tijden, daar het een primair conflict der sexen geeft, dat in het oude Egypte op de muren gegriffeld, in Pompeji in het begin onzer jaartelling neergeschreven, in de M.E. in de klucht belachelijk gemaakt werd en nog steeds een bron van inkomsten is voor cabaret-artiest en vaudeville-schrijver. Zoo lang man en vrouw van elkaar verschillen, zoo lang bijna elk huis een dergelijk verschilletje heeft, zoo lang dit onderscheid leidt tot illusie en desillusie, tot geluk, strijd en wanhoop, zoo lang zal dit motief in trek blijven, wanneer de kunstenaar er niet een te persoonlijk cachet aan geeft.

Nu zijn er echter tijden, dat men zich afwendt van de motieven, waarin de minst ontwikkelde lezer zijn gevoel en zijn droomen kan leggen: moeder en kind, het verwaarloosde stiefkind, de economische strijd en de individueele ondergang, de liefde van twee schuldelooze menschen, de zelfopoffering voor het gezin, e.t.q. Tijden, waarin men motieven zoekt, die alleen de belangstelling van enkele geestverwanten hebben; tijden, waarin men deze motieven een kleur, een verhouding tot de werkelijkheid en een strekking geeft, die het meerendeel der lezers vreemd is. In die tijden wordt een literatuur geschapen, die technisch knap en innerlijk belangwekkend kan zijn, maar na korten tijd ter zijde geschoven wordt, omdat de kunst bewaard wordt door de ~meerderheid” en naar de minderheid niet wordt geluisterd.

Gelooft iemand, dat het volgende gedicht over tien jaar nog au sérieux genomen zal worden? Toch staat het thans in het Speciaal-nummer voor Noord- en Zuid-Nederlandsche Poëzie, dat ~De Gemeenschap” in April 1 92 7 heeft uitgegeven en is de schrijver een man, wiens naam door Dirk Coster en door Greshoff genoemd wordt.

Men oordeele:

OPPERVLAKKIGE CHARLESTON.

Als je van het meisje van Milwaukee houdt

van het meisje houdt

van het meisje van Milwaukee houdt

van nacht vallen de sterren veel

en blijven aan de huizen hangen