is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 1, 1927-1928, no 6, 15-02-1928

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wie denkt bij het lezen van Stefan George aan intensieve actie?

Bezong men niet bij voorkeur de rust. Klaagde niet Kloos aan het venster gezeten, toen de schemering viel, over de onrust van zijn hart. Zong van Eeden niet zijn nachtliedjes in mineur. Hunkerden niet vele hunner romanfiguren naar den dood, die rust zou brengen.

Vergeleek men niet de figuren van Maeterlinck met slaapwandelaars.

Zagen de tachtigers niet altijd het landschap in rust.

Waren niet hun modewoorden ~zacht, stil, rust” e.t.q.

Het valt moeilijk te ontkennen.

En het kosmische?

Waren de tachtigers kosmisch? Zeker niet.

Waren zij niet opgesloten in de kooi van hun eigen individualiteit. Bestond voor hen eigenlijk iets anders dan het eigen ik. Wie denkt bij het lezen van Verlaine aan de gemeenschap, aan de wereld?

Ik geloof, dat niemand in ernst zal willen betwisten, dat de tachtigers waren: niet-kosmisch en niet actief.

Maar waren ze ook niet-ekstatisch visionair.

Hier komen wij in de klem.

Waarom noemde Augusta de Witt hare novellenbundel Verborgen Bronnen? Omdat uit diepe verborgen bronnen van onzen wil de daad opwelt. Wanneer uit het diepste zelf, uit het diep-innerlijke ik de gedachte en de wil rijzen volgens de tachtigers, als de bron voor de hoogste wijsheid is die zuivere ziel, die onder, diep onder het alledaagsche geestesleven rein en onbewogen ligt, dan wordt het bedenkelijk den tachtigers te ontzeggen een zacht voortdrijven naar het standpunt van visionaire ekstase als eenige bron onzer waardevolle kennis. Maar onze opvatting valt niet, wanneer wij moeten toegeven, dat de expressionisten niet zoozeer tegen de impressionisten onder de tachtigers ageerden en meer tegen de voorafgaande philosophische richting, die invloed had op de romantiek en daarop is opgebloeid in het naturalisme.

Herinnert men zich nog die mooie zinnen:

»»Het was op den avond van 5 Februari 1672, dat twee ruiters zich voort,,spoedden langs den weg van Haarlem naar Leiden. De bezweete paarden ~en stoffige kleeden wezen op een langen rit en wie de breedgerande ~hoeden, die hun gezichten overschaduwden, had kunnen opslaan, zou ~trekken waargenomen hebben, die getuigden van een zorgenvol leven in ~raadzaal en op slagveld.”

,„,Parbleu”, zei de voorste ruiter, die aan het Fransch getinte Nederlandsch ~etc ”

Laten wij even lachen om deze wendingen, die stereotyp herhaald werden. Maar laten wij ook even beseffen, dat achter deze verstarde maniertjes een philosophische leer schuilt. Kort aangegeven kunnen wij zeggen: onze kennis komt uit de ervaring, uit ons verstand, uit beide, of uit een verborgen bron. De achttiende eeuw had ons ingeprent: onze kennis komt uit de ervaring. Dus zei de kunst: elke beschrijving moet uitgaan van den buitenkant der dingen en sla den rahd der hoeden op. De expressionist kiest zeker ten deele een andere kennisleer als reactie tegen dit stelsel.

Rijswijk (Z.-H.).

A. GREEBE.