is toegevoegd aan uw favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 1, 1927-1928, no 9, 15-05-1928

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Theodorik’s jonge liefde. Sommige recensenten hebben deze als kinderachtig of onbelangrijk gevoeld. Frits Hopman noemde ze „argeloos verteld, het aantrekkelijkste deel van dit wonderlijke boek.” Toch valt het op, dat Line, de geliefde, geheel op den achtergrond blijft en passief (als later An), overwoekerd door Theodorik’s egocentriciteit.

De oorzaak van de waardeering kan vooral liggen in de herinneringssfeer, het lichtwaas dat eveneens de bekoring uitmaakt van scheppingen als ~Jaapje” van Van Looy, ~De Kleine Johannes”, ~Avontuurtjes” van Carry van Bruggen, Kellermann’s ~Ingeborg” en enkele jeugdheugenissen van Rétif de la Bretonne. Het is zonnige weemoed over ~Selbsterlebtes”. Literair bezien: stalen van smettelooze fijne romantiek, naturalistisch zuiver en sober genoteerde impressies, overgoten door een milden, helderen gevoelsschijn. Wij sluiten ons volkomen bij Dr. A. A. Haighton aan, die deze gevoelskunst tot het naturalisme rekent. Heel ~Kalderionen”, ondanks de dagdroomen en fantazieën, is naturalistisch geconcipieerd.

Er komt in dit gedeelte veel plastiek voor uit de school van Van Looy, en als zoodanig verouderd contrasteerend met het tempo elders in het werk: ~het voelen-in-woorden is vervangen door het denken-in-zinnen” sinds Tachttig’s bloei, zegt Ernst Groenevelt terecht in ~De roman voor dezen tijd”. Die techniek had echter voor, dat ieder woord verantwoord was, dat de kunstenaar consciëntieus werkte als een maker van miniaturen. Men leze Dr. A. Aletrino’s ~Hoe een roman tot stand komt”. Het procédé past echter voor ons tijdstip niet.

In de Atlantis-episode, waarin een soort interview de stemming afbreuk doet, is deze beschrijvingstechniek soepeler geworden, barend „de wijdsche droomvisioenen, die, ook als schriftuur, tot het beste van het boek behooren” (Frans Coenen in ~Groot-Nederland”). Zij zijn een schakel tot de droomtochten in de 1 4de-eeuwsche IJselstreek, die afwisselen met den ,gelukkigen waanzin” van Oom den Stationschef en de natuurtafereelen op de Wodansbank. Door A. M. de Jong is in ~Het Volk” in dit verband gesproken van ~het droomen van geschiedenisboekjes, geschiedenisboekjes van de H. 8.5.”, doch door Dr. Hooykaas in ~De Stroom” van ~veel kennis van het verleden”. Inderdaad heeft de uitvoerige bronnenstudie in Protestantsche theologen van de vorige eeuw aan den geest van deze uitbeeldingen ernstige schade toegebracht (temeer nog door het inlasschen van Freudiaansche experimenten), zoodat A. Reichling S.J. in ~Studiën” volop gelijk heeft met te verklaren, dat het begrip hier in het geheel niet deugt. Nieuw materiaal voor de psycho-analyse lijkt ons echter op verschillende plaatsen aanwezig te zijn door den blik die er in het ontstaan van droomen wordt gegund. Het aandeel der dagdroomen (in welk verband de ~N.R.Crt.” den naam van De Quincey vermeldde) in de uitbeelding van de psyche der hoofdfiguur, droeg er toe bij dat men de betiteling ~document” er voor heeft gekozen.

Hoe het zij, het komt ons voor, dat het werk en deze samenvatting er van hun beteekenis krijgen (een literair-historische) indien een volgend een zoodanigen groei te zien geeft dat het in wijder kring wordt erkend. Laten wij den jongen auteur daarom zijn gang laten gaan, en hier afscheid van hem nemen.

143