is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 2, 1928-1929, no 2, 15-10-1928

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De film die alles kan vertonen, liet niet na dit te doen, zeer ten gerieve van het publiek. Men kon naar de bioskoop gaan en zijn verbeeldingskracht thuis laten. De film heeft uw fantasie niet nodig, zij kan immers elke fantasie omzetten in beeld. Gij behoefde slechts in uw klapstoeltje te gaan zitten en toe te zien.

Van groter betekenis dan de ontdekking, dat de film veel meer kon uitbeelden dan het toneel, was het feit, dat de film zich meer en meer haar eigen aard bewust werd, een eigen karakter verwierf. De akteurs leerden inzien, dat zij voor de lens speelden en niet voor het voetlicht. Zij werden filmakteurs, mimiek werd hoofdzaak. De regie leerde de film op haar eigen wijze uit te drukken, wat zij te zeggen had. Zoals een fotografie voor zich zelf spreken kan, en dan geen uitleg van node heeft, zo bleek het mogelik het bewegende beeld zelf het gebeuren, de handeling, te doen vertolken. Het gemis aan het gesproken woord werd niet langer gevoeld; ja, de strijd werd aangebonden tegen de tekst, die nog af en toe tussen de beelden verschijnt. In dit verband beschouwd moet de sprekende film, waar nu allerwegen naar gezocht wordt, een stap achteruit genoemd worden, terugvoerend naar het mechanies gereproduceerde toneelspel!

Andere vondsten nog deed de regie. Zij kan een gehele massa doen optreden binnen de grenzen van het witte doek, maar zij kan ook de nadruk leggen op elk detail zij kan het de grootte geven die zij nodig had. Zij beheerst de dimensies evengoed als het tempo.

Met dit verwerven van een eigen karakter, is ook de verhouding tot de toeschouwer veranderd. Hij moet het filmbeeld, dat meer is geworden dan een kopie van een zij het ook schijnbare werkelikheid, overbrengen in eigen gevoelswereld.

De filmtechniek is niet langer zonder inhoud, de film ontwikkelt zich tot?

Van vele zijden klinkt tans het antwoord: ~Tot filmkunst.”

Laat ons nagaan in hoeverre deze konklusie gerechtvaardigd is.

Het gefotografeerd toneel van de aanvang zal wel niemand als kunst willen opvatten. De vraag is, in hoeverre de film er in geslaagd is niet alleen om aan dit beginstadium iets toe te voegen, maar om deze toestand te overwinnen.

De grotere mogelikheden van montering deden de film zich al dadelik van het toneel onderscheiden. Doch het reproduktieve karakter ging er niet door verloren, integendeel het werd er door versterkt. Immers het decor van de film doet zich niet voor als decor; de film wil de illusie scheppen