is toegevoegd aan je favorieten.

De delver; het vrije kunstorgaan, jrg 2, 1928-1929, no 3, 15-11-1928

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen man geweldig tegen de borst, en telkens deed hij moeite om een vaste plaatsing te verwerven, wat hem gewoonlijk niet gelukte.

In de lente van 1818 ontving hij de opdracht om alle muzieklessen te geven op het landgoed Zelész in Hongarije bij het groote gezin van vorst Esterhazy, afkomstig van de familie van dien naam, die in het leven van Haydn en Mozart ook reeds een gewichtige rol had gespeeld, terwijl deze graaf zelf o.a. ook aan Beethoven in 1807 de Miscompositie had opgedragen, waaraan Beethoven voldaan had door zijn Mis in C opus 86. Ofschoon Schubert aldaar ook ruimschoots gelegenheid vond tot componeeren, hinderde het hem toch erg, volkomen onder het dienstpersoneel te worden gerekend, ook met de maaltijden en ten aanzien van de verblijfplaats. Echter is het halfjaar bij vorst Esterhazy in zooverre heilzaam geweest, dat alle lichamelijke zorgen van hem waren weggenomen, dat hij vele Hongaarsche melodiën van nabij leerde kennen, en bovendien omdat baron Schönstein veel belang in hem stelde.

Baron Schönstein, die zelf heel mooi zong, moedigde Schubert sterk aan tot de lyrische zijde van zijn liederen, evenals Vogel dit deed tot de epische. In de vele en verschillende kringen, waarin Schönstein verkeerde, maakte hij de liederen meer en meer bekend. Nadat Vogel het gewaagd had, Erlkönig in 1821 in het openbaar op een liefdadigheidsconcert te zingen, met grooten bijval van het publiek, opende Schönstein een inschrijving om dit lied uit te geven, omdat geen uitgever dit wenschte te ondernemen. Vogel was door Schubert zelf begeleid. Een gevolg hiervan was, dat Schubert muzieklessen kon geven aan de drie meisjes Frölich, in welk gezin, ~das Dreimaderlhaus , hij een steeds gaarne verwelkomde gast bleef. Op de bruidspartij van de beide oudste dochters zegt de boven aangehaalde operette, die historisch wordt genoemd kwam de liefdesbetrekking tusschen Schubert en de jongste dochter des huizes, Josephine, te voorschijn, nadat Schubert haar op aangrijpende wijze zijn lied ~Ungeduld” had voorgezongen, met het bekende refrein: ~Dein ist mein Herz und soll es ewig bleiben!”

Tot een huwelijk is het nooit kunnen komen, maar de liefdesliederen werden er te warmer door. Enkele reizen onderbreken het Weensche leven, n.l. in 1822 naar Hongarije voor een verblijf als gast bij de familie Esterhazy te Zelész, in 1823 naar Steyr, in 1825 naar Salzburg, in 1827 op eigen kosten een kort verblijf te Graz om daar herstel te zoeken, want sedert 1823 gevoelde hij zich dikwijls ziek en begon de vrees te koesteren voor een vroeg einde. Zijn voortbrengingsvermogen steeg steeds, en na het verblijf te Graz componeerde hij gedurende lange dagen en nachten bijna onafgebroken. Zoo alleen was het mogelijk, om in het jaar van zijn heengaan nog zooveel te scheppen. Onder deze zeer uiteenloopende werken vallen ook zijn allerbeste. Joseph von Spaun zegt, dat de tijden onvergetelijk zijn, waarin men hem aan zulke werken zag schrijven, hoe zijn oogen fonkelden en zelfs zijn stem geheel veranderde, als onder somnambulistischen invloed. In dat laatste jaar valt het voltooien van zijn Winterreise, die doodvoorvoelende cyclus, en van de meeste Schwanengesange, maar ook van zijn groote Symphonie in C, zijn drie laatste pianosonates, zijn prachtig strijkkwartet in D-mineur met als Andante de variaties op zijn lied ~der Tod und das Madchen , zijn prachtig klaviertrio